Module 9. Logistiek.

De afgelopen weken zijn we met de opleiding bezig geweest met de module logistiek. Officieel is logistiek het organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de goederenstroom en de wetenschap hierover. In andere woorden: het er voor zorgen dat de juiste dingen, op de juiste tijd op de juiste plaats zijn. Voor ons als collectiebeheerders betekend logistiek alles dat met het (veilig) opbergen, terugvinden, vervoeren en tentoonstellen van objecten te maken heeft, van nummering tot verzekering, van verpakking tot zwaar vervoer.

Om meer te weten te komen over de logistieke aspecten van het vak van collectiebeheerder hebben we met de opleiding een aantal excursies gemaakt. Wij hebben de Koninklijke Saan bezocht. Een bedrijf gespecialiseerd in zwaar transport met ervaring in het museale werkveld. Op 10 november hebben we in de Jaarbeurshallen in Utrecht de Logistica vakbeurs bezocht. Logistica is de belangrijkste vakbeurs op het gebied van logistiek en goederenstroombeheersing binnen de Benelux. Ten slotte hebben mijn collega’s op 17 november een bezoek gebracht aan Kortmann Art Packers & Shippers. Ik kon er bij dit laatste bezoek helaas niet bij zijn ivm met een sollicitatiegesprek (ook belangrijk natuurlijk).

 

Koninklijke Saan b.v.

Wat heeft zwaar transport te maken met museale collecties en/of archieven? Meer dan je in de eerste instantie zou denken. Museale objecten kunnen soms zo groot en zwaar zijn dat er gespecialiseerde apparatuur nodig is om ze veilig te kunnen verplaatsen. Bij gespecialiseerde apparatuur kun je denken aan hijskranen om zware voorwerpen in en uit een gebouw te verplaatsen. Hijsbruggen zijn een voorbeeld van gespecialiseerde “hijskranen” die in een ruimte kunnen worden opgebouwd om bijvoorbeeld een zwaar beeld van of op een sokkel te hijsen. Maar soms is de gespecialiseerde apparatuur kleiner of subtieler van aard. Denk hierbij aan vloerplaten die tijdelijk de draagkracht van een houten vloer in een monumentaal pand kunnen vergroten. Maar ook gespecialiseerde “Hondjes” (platen met wieltjes eronder) speciaal gemaakt voor het vervoer van kasten zijn een voorbeeld. Een bedrijf dat gespecialiseerd in verhuizingen en zwaar transport zoals Koninklijke Saan heeft niet alleen apparatuur in huis die een museum vaak niet heeft, maar ook de expertise die nodig is voor de zware transporten die voor de meeste collectiebeheerders geen dagelijkse bezigheid zijn.

Een voorbeeld van zwaar transport in ons eigen Noordelijk Scheepvaartmuseum is de verhuizing van twee sloepen in 2012. Deze twee sloepen stonden op de zolder van het museum en waren te groot om via de trappen naar beneden te worden gedragen. Ze konden wel via een luik in het dak naar buiten (het museum is een voormalig pakhuis), maar hoe kwamen ze dan veilig beneden? Daar was zwaar materieel voor nodig.

 

Koninklijke Saan b.v. is zelf ook betrokken geweest bij het vervoer van de Koninklijke Sloep bij het (Amsterdams) Scheepvaartmuseum.

 

Logistica

We werden naar de Logistica Vakbeurs gestuurd met de opdracht om te zien of we nieuwe innovaties konden vinden op de beurs die ook van belang kunnen zijn voor collectiebeheerders. Een ingewikkelde, maar tegelijkertijd ook simpele opdracht. Ingewikkeld omdat we een wereld instappen die op het eerste gezicht niet bekend is voor ons en wij collectiebeheerders {erfgoedsector} zijn voor een groot deel van de experts op het gebied van logistiek ook een onbekende doelgroep.

Maar toen we meer gingen rondkijken kwamen we zeker technieken en middelen tegen die ons als collectiebeheerders zouden kunnen helpen. Denk bijvoorbeeld aan een blussysteem dat werkt door het zuurstofarm maken van een magazijn of depot. Voor museale objecten een een stuk minder schadelijk dan een sprinklersysteem. Of een elektrische trappenloper waarmee je zware objecten op een soepele en gecontroleerde manier de trap af kan lopen, Kratten van kunststof waar een interieur op maat in kan worden gemaakt voor het vervoer van vreemd gevormde en kwetsbare objecten.

Mijn favoriet was een nummering- en registratiesysteem dat werkt doormiddel van chips. Geen nieuwe techniek, in winkels worden dit soort chips immers al veel langer gebruikt voor de registratie en beveiliging (piepen als je langs de poortjes komt). Door nieuwe ontwikkelingen worden deze chips en de bijbehorende scanners echter steeds kleiner en betaalbaarder. Een dun kartonnen plaatje ter grote van een pinpas kost slechts een paar cent en zou goed kunnen werken voor bijvoorbeeld de nummering van een schilderij. Het voordeel is dat deze chips niet op batterijen werken, ze ook te gebruiken zijn om voorwerpen tegen diefstal te beveiligen en dat ze al van een afstand van anderhalf meter uit te lezen zijn. Dit betekend dat je een voorwerp niet meer hoeft aan te raken of te verschuiven voor het controleren van het nummer. Kleinere chips ter grote van een klein plat dropje { ongeveer in vierkante cm} zijn ook te krijgen voor een cent of 20. Deze chips zijn te programmeren met een nummer dat gekoppeld kan worden aan een registratiedatabase zoals Adlib.

Advertisements

16 December 2014. An-organische Materialen. Plastic.

16 December kon ik er helaas niet bij zijn wegens ziekte. Hierdoor heb ik blijkbaar een van de meest interessante lessen van het jaar gemist! De lezing werd namelijk gegeven door Pieter Keune, chemicus en voormalig docent conservering aan de AHK Reinwardt. Hij vertelde mijn collega’s alles over het behoud en beheer en het verval van kunstoffen.Pieter Keune. Foto: Tony Jonges

Gelukkig heeft hij een aantal artikelen achter gelaten waardoor ook ik mijn kennis van plastics kon bijspijkeren.
Artikelen:
Preservation of Plastic Artefacts in museum Collections. schadeatlas-plastic
Getty Conservation Institute Conservation-of-plastics
pieter-keune Artikel

Kunststoffen of plastik

De eerste kunststoffen ontstonden in de 19de eeuw toen men op zoek ging naar vervangers van steeds schaarser en duurder wordende natuurstoffen zoals: schildpad, barnsteen, hoorn, ivoor, natuurrubber, schellak en Chinese lak en papier mache. Deze materialen werden gebruik vanwege hun plastische en/of isolerende eigenschappen. Voorlopers van de eerste echte kunststoffen waren de halfsynthetische stoffen zoals cellofaan en rayonvezels. Deze bestaan uit cellulose dat chemisch gewijzigd is maar de natuurlijke cellulosestructuur heeft behouden. Of caseïne of kunsthoorn, dat wordt gemaakt van chemisch bewerkte eiwitten.

De eerste volledige synthetische kunststof is Bakeliet. Deze door de Amerikaanse Belg Leo Hendrik Baekeland ontwikkelde kunststof kwam in 1907 op de markt. Deze kunststof wordt gemaakt met fenol en formaldehyde. Bakeliet is een brosse fenolhars die werd versterkt met vezels of houtmeel. Deze hars werd tot poeder gemalen en samen met houtvezel. Dit mengel werd vervolgens in een mal gedaan en onder een hoge temperatuur en druk tot de gewenste vorm geperst. De met deze techniek gemaakte voorwerpen waren donkerbruin tot zwart. De fenolhars zelf was amberkleurig en transparant. Het kon worden gekleurd met een pigment, maar is echter weinig lichtecht. De hars kon gegoten worden en is veel gebruikt voor het maken van servetringen, de heften van messen, vorken en lepels.

Kunststoffen zijn stoffen die bestaan uit polymeren. Uit olie, kolen of zand worden chemicaliën gewonnen, die onder invloed van warmte een lang molecuul vormen . Een dergelijk groot molecuul bestaat uit veel deeltjes. Dus van daar de naam polymeer (poly=veel, meros=deeltje). Door kunststoffen met elkaar te mengen krijgt materialen met zeer specifieke, ‘op maat gemaakte’ eigenschappen. Een ander manier is om verschillende zuivere stoffen (monomeren) zo met elkaar te laten reageren, zodat er zich een kunststof ontwikkeld met de eigenschappen van meerdere kunsstoffen. Deze polymeren worden copolymeren genoemd.

Soorten kunststof

De kunststoffen kunnen worden opgedeeld in drie grote groepen. Thermoplasten zijn kunststoffen die met behulp van warmte kneedbaar of plastisch worden. Deze kunststoffen kan men vormgeven door ze te verwarmen of ze te smelten. Voorbeelden van veel gebruikte thermoplasten zijn:

Polyetheen (PE) (eerst op de markt 1935) Het meest gebruikte kunststof ter wereld. Het wordt in vele verschillende kwaliteiten gemaakt. Er zij twee hoofdgroepen: het flexibele lage dichtheid PE (LDPE). Landbouwplastik, wegwerpbestek, wegwerptasjes en ‘tupperware’. Het stootvaste hoge dichtheid PE (HDPE) , ontwikkeld in 1953 wordt gebruikt in kratten en emmers. PE is chemisch inert.
Polytetheentereftalaat (PET) (eerst op de markt 1947) is een thermoplastische polyester. Het heeft een lage gasdoorlatendheid en wordt daardoor veel gebruikt voor frisdrankflessen. Als folie ook bekend onder de merknaam Melinex. Een folie die we veel in musea gebruiken. Polyvinylchloride (PVC) (eerst op de markt 1930). Deze kunststof word in een harde vorm gemaakt en gebruikt voor o.a. dakgoten en grammofoonplaten. In zachte vorm (met weekmaker)wordt het gebruikt in folies, badkamergordijnen en speelgoed.
Polyamide (PA) (eerst op de markt 1938), bekend als Nylon; toegepast in lagers en tandwielen, visdraad, kousen.
Polymethylmethacrylaat (PMMA) (eerst op de markt 1934) Een glasachtig product. Ook bekend als Plexiglas, Perspex en Lucite.
Thermoharders worden gevormd door een vloeistof bij een hogere temperatuur te laten reageren. Daarvoor is een tweede stof als katalysator nodig. Wanneer thermoharders uitgehard zijn, zijn ze niet meer te vervormen door warmte. Ze kunnen niet worden gesmolten of opgelost worden in een oplosmiddel. De polymeren hebben zich onderling met elkaar verbonden tot een vaste drie dimensionale structuur. Deze verbindingen worden cross-links genoemd. Aan thermoharders kan een weekmaker worden toegevoegd om ze zachter te maken. In de loop der tijd zal deze , vaak giftige, weekmaker naar de oppervlakte van het object migreren en daar de omgeving en het voorwerp zelf aantasten.Tot de thermoharders behoren de volgende kunststoffen:

luidspreker Bakeliet

Fenolformaldehyde (Bakeliet) (PF) (eerst op de markt 1907). Versterkt met houtvezels heeft het een donkerbruine tot zwarte kleur en word het gebruikt voor o.a. asbakken en radiokasten. De fenolhars zelf is amberkleurig en transparant en werd gebruikt in veel art-deco voorwerpen zoals, armbanden, servetringen en heften van bestek.
Melamineformaldehyde (MF) (eerst op de markt 1935) en ureumformaldehyde (UF) (eerst op de markt 1929). Beide kunststoffen zijn ontwikkeld als kleurigere alternatieven van Bakeliet. Deze plastics zijn veel gebruikt voor serviezen. Een bekend voorbeeld van UF serviesgoed is het merk ‘Bandelasta’. MF is ontwikkeld om beter tegen vocht en krassen bestendig te zijn dan UF. In de jaren vijftig was het ‘Mepal’ serviesgoed bekend.
Thermohardend Polyester (UP) (eerst op de markt 1941). De meest gebruikte kunststof door kunstenaars, vele toepassingen en kwaliteiten; versterkt met glas- of carbonvezels heeft het goede constructie-eigenschappen. Lichtdoorlatende UP wordt ook gebruikt voor lichtkoepels. Polyurethaan (PUR) (eerst op de markt 1937). Grote verscheidenheid van hard tot rubberachtig, van massief tot schuim. Veel toegepast in de beeldende kunst omdat het schuim gemakkelijk in allerlei vormen gesneden kan worden. Een bekende thermoplastische variant van PUR is Lycra. Veel gebruikt in badkleding.

De derde groep zijn de Rubbers of de Elastomeren. Deze kunststoffen hebben eigenschappen van beide groepen. De polymeren van rubbers hebben cross-links maar bezitten die in veel mindere mate dat de thermoharders. Elastomeren hebben daardoor de elasticiteit van thermoplasten maar kunnen niet smelten.

Styreen-Butadieenrubber (SBR). Dit is de belangrijkste synthetische rubber. Net zoals natuurlijke rubber heeft dit de materiaal de mogelijkheid tot vulcanisatie (toevoeging van zwavel waardoor het rubber minder elastisch en harder word). Het heeft een grotere slijtvastheid dan natuurrubber, maar is minder goed bestand tegen hitte. Wordt gebruikt bij het maken van o.a. autobanden en rubberen slangen.
Butylrubber. Goed bestand tegen ozon en zuurstof. Laat weinig gassen door. Veel gebruikt voor binnenbanden.
Chloropeenrubber (neopreen). Goed bestand tegen chemicaliën. Veel gebruikt in lijmen en kitten.
Nitrilrubber. Laat weinig gassen door. Wordt o.a. gebruikt in gasmakers en rubber handschoenen (nitril-handschoenen worden aanbevolen voor het hanteren van museumvoorwerpen).
Siliconen (SI) (eerst op de markt 1931). Uitzondering onder de kunststoffen omdat het silicium (kwarts) als belangrijkste element heeft ipv koolstof. Zeer goed bestand tegen hitte. Vind zijn toepassingen in gietmallen, lijmen en medische apparatuur. Siliconen nemen details in af te vormen voorwerpen zeer nauwkeurig over.

Bewerking van kunststoffen

Persen: De te verwerken grondstof wordt in een verwarmde matrijs gebracht en dan door druk van buitenaf in de gewenste vorm geperst. Deze techniek word gebruikt voor de vorming van thermoharders en rubbers. De voorwerpen die op deze manier gemaakt zijn, zijn te herkennen aan hun persnaden. Spuitgieten: Hierbij wordt de kunststof in korrelvorm via een trechter in een ronde buis gebracht waarin een Archimedes schroef ronddraait. Door de wrijving smelten de korrels. De schroef beweegt de gesmolten massa naar een nauwe spuitmond. Door deze spuitmond word de kunststof in vorm gespoten. Wanneer het product (bijna) is afgekoeld word het product met een pen uit de spuitvorm gedrukt. Het product is herkenbaar aan de indruk van de uitsteekpen (meestal op een onopvallende plek). Ook kan men sporen van de spuitmond vinden en gietnaden. Deze techniek wordt gebruikt voor thermoplasten. Extruderen: een continue stroom van gesmolten plastik word door een speciaal gevormde opening geperst. Op deze manier kunnen buizen, profielen, platen, staven en draden worden gemaakt. Deze producten kunnen verder worden bewerkt. Dunwandige buizen kunnen worden opgeblazen tot folie, draden kunnen worden uitgetrokken tot garen, buisjes kunnen ook tot flessen geblazen worden.
Vacuümvormen: Een plaat kunststof word verwarmt, waardoor het zacht en vervormbaar wordt. Deze plaat word boven een plaat geplaatst en vervolgens vacuüm getrokken. Na afkoeling word het voorwerp uit de vorm gelost en worden de overtollige randen weggesneden. Door de snijranden kan men deze voorwerpen dus herkennen.
Gieten: Gesmolten plastik word zonder druk in een vorm gegoten. Een bijzondere vorm is rotatiegieten. Waarbij men gesmolten plastik in een ronddraaiende vorm giet. Deze vorm draait totdat de kunststof is uitgehard. Op deze manier worden holle voorwerpen gemaakt. Omdat de druk lager ligt dan bij spuitgieten zijn er nauwelijks deelnaden van de gietvorm te zien.
Schuimen: De grondstof word gemengd met een stof die onder een bepaalde vorm en temperatuur gasbelletjes gaat vormen. Dit kan in een vorm worden gedaan. Een bekend voorbeeld is piepschuim.
Dompelen: een relatief eenvoudige vorm word in de vloeibare kunststof of rubber gehangen. Op het voorwerp zet zich een laagje kunststof of rubber af. Na het drogen of uitharden kan de mal verwijderd worden. Deze methode wordt vooral gebruikt voor objecten van natuurrubber (handschoenen, condooms) of weekgemaakt PVC (speelgoed, huishoudhandschoenen).
Impregneren: een vezelmassa (bv. glasvezel of textiel) wordt geïmpregneerd met een onverzadigde polyester, een epoxy, een melaminehars of iets dergelijks. Het geheel wordt daarna met of zonder druk uitgehard.

Schade aan kunststoffen en preventieve conservatie. Men heeft lang gedacht dat kunststoffen onvergankelijk waren. Maar hoewel kunststoffen niet biologisch afbreekbaar zijn, degraderen ze wel degelijk. Kunststoffen zijn zeer zelden bedoelt om een eeuwigheid mee te kunnen gaan. De eerste periode van het verval gaat vaak zo langzaam dat we met het blote oog weinig gevolgen zien. Als na deze ‘inductietijd’ de degradatie inzet zie we vaak een periode van versnelt verval. Een bekend voorbeeld is celluloid. De eerste 40 tot 60 jaar zal men weinig merken van verval. Daarna zet de degradatie in. Veroorzaakt door zuurresten achtergebleven bij het productieproces, of door verontreinigingen. Bij het degradatieproces worden nieuwe zuren gevormd die het verval versnellen. Een vorm van autokatalyse, een zichzelf versnellend proces. Deze degradatie gaat het snelst als de gevormde zuren niet weg kunnen, zoals bij afgesloten blikken of verpakte objecten.

We zien bij kunststoffen de volgende vormen van schade:

Chemische schade: De kunststof word dof en verkleurt. Er kunnen zich craquelures vormen. Het kunststof kan ook bros worden en verkruimelen. Weekmakers en stabilisatoren komen aan het oppervlak. Vooral PVC is hier berucht om (mede omdat deze kunststof zoveel voorkomt). Er vormen zich druppeltjes op het oppervlak en/of de kunststof word zacht en plakkerig. Het voorwerp gaat hierdoor extra stof en vuil aantrekken. Het object begint te stinken (azijn of camfer).
Fysische schade: De kunststof barst en scheurt door krimpen en uitzetten ten gevolge van temperatuurwisselingen. Vloeistoffen en gassen kunnen worden geabsorbeerd waardoor spanningen in het materiaal kunnen ontstaan. Soepele kunststoffen worden minder flexibel.
Mechanische schade: Krassen en slijtage.
Biologisch: schimmelgroei op door de kunststof aangetrokken stof en vraat door knaagdieren.

Oorzaken van schade en preventieve conservatie.

Schade door een verkeerde luchtvochtigheid: De meeste kunststoffen zullen versneld degraderen bij een hoge luchtvochtigheid. Cullulosenitraat, celluloseacetaat eb polyurethaan in het bijzonder moeten bij een zo laag mogelijke luchtvochtigheid bewaard worden. Voor de overige kunststoffen wordt een RV van rond de 50% aanbevolen. De uitzonderingen zijn Nylon en caseïne . Deze drogen bij een lage RV uit. Deze kunststoffenbij een RV van 60% of hoger bewaard worden.

Schade door een verkeerde temperatuur: Bij hoge temperaturen kunnen thermoplasten zich gaan vervormen. Ook de sterkte eigenschappen zullen drastisch wijzigen. Celluloid kan bij hoge temperaturen zelfs spontaan ontbranden. Uit PVC kan zoutzuur vrijkomen. Over het algemeen wordt aanbevolen om kunststoffen bij lage temperaturen te bewaren.

Schade door licht en UV straling: Licht en met name UV-straling doet gekleurd plastic verbleken. Ook bevorderen ze de reactie van zuurstof met de kunststof. Hierdoor vormen zich crosslinks in de polymeren van het plastik waardoor de eigenschappen veranderen en het plastic bros word. Houdt kunststoffen zoveel mogelijk uit het zonlicht en sluit UV-straling door halogeenlampen of TL-buizen uit.

Schade door verontreinigen: Zure bestanddelen uit de lucht en die uit het materiaal zelf komen kunnen de kunststoffen aantasten. Zorg voor voldoende ventilatie en gebruik bij voorkeur geen gesloten verpakkingen (zeker niet luchtdicht). Uitzondering op deze regel zijn voorwerpen van PVC waar de weekmaker naar het oppervlak is gemigreerd. Om de verdere verdamping van deze weekmakers te voorkomen kunnen deze luchtdicht verpakt worden . Gebruik hiervoor geen materiaal dat de weekmaker kan opnemen (zoals een plastic zak), maar bij voorkeur een glazen pot of vitrine. Verder zijn kunststoffen elektrostatisch waardoor ze stof aantrekken. Dit stof kan chemische reacties opgang brengen (o.a. omdat water aantrekt). Bij Thermoplasten kan stof gelijkelijk in het oppervlakte trekken. Houdt kunststof stofvrij, maar gebruik geen antistatische schoonmaakmiddelen. Deze bevatten stoffen die slecht zijn voor het plastik. Dek de voorwerpen in het depot af met hoezen van dichtgeweven ongebleekt katoen of Tyvek. Afstoffen doet men bij voorkeur met een zachte borstel en een stofzuiger.

Hanteren van plastic voorwerpen.

Draag bij het hanteren van de voorwerpen altijd handschoenen. Niet alleen om het voorwerp te beschermen, maar ook jezelf. Plastic in een gedegradeerde toestand kan immers giftige stoffen uitwasemen. Draag geen juwelen aan handen en armen om krassen op de voorwerpen te voorkomen. Til de voorwerpen altijd met twee handen op, en nooit bij uitstekende onderdelen omdat deze kunnen afbreken.

9 December 2014. Fotografie.

9 December bezochten we met de opleiding het Fotografie Museum Amsterdam (FOAM) en de fototentoonstelling “Modern Times” in het Rijksmuseum. In de ochtend kregen een lezing van Dapne Nieuwenhuijse. Zij taxeerd voor Apresa foto’s om hun geld en verzekeringswaarde. Wat maakt een foto kostbaar? De meeste foto’s zijn goed te reproduceren in de vorm van (nieuwe) afdrukken en zelfs posters. Voor modern werk geld dat een fotograaf een gelimiteerde oplage van de foto laat drukken (genummerd en vaak met certificaat). Daarnaast worden er een aantal Artists Proofs gemaakt, deze houd de kunstenaar in principe zelf. Voor een tentoonstelling kan het voorkomen dat er van modern werk een speciale afdruk wordt gemaakt die na de tentoonstelling wordt vernietigd om zo de oplage beperkt te houden. Voor ouder werk geld dat een vintage foto (een eigentijdse afdruk) meer waard is dan een latere afdruk of reproductie. En natuurlijk brengen grote namen meer geld op. Fotografische kunstwerken brengen op de huidige kunstmarkt soms wel miljoenen op.

Modern Times

Modern Times
In de middag bezochten we de voorstelling “Modern Times” in het Rijksmuseum. In deze tentoonstelling zijn foto’s te zien die zijn gemaakt vanaf de late 19de eeuw en door de hele 20ste eeuw door. Zeldzame foto’s van wereldberoemde fotografen zoals Jacques-Henri Lartigue, Lewis Hine, László Moholy-Nagy, Man Ray, Brassaï, W. Eugene Smith, Ed van der Elsken en William Klein waren op deze tentoonstelling te zien.

Opdracht fotografie
Als opdracht hadden we voor deze dag om zowel bij FOAM als bij het Rijksmuseum de afdruktechnieken in kaart te brengen en om te kijken of de verschillende foto’s op een specifieke manier werden geexposeerd. Ook moesten we kijken of de wijze van exposeren werd beinvloed door beheer en behoudseisen eigen aan de afdruktechnieken. De opdracht is hier als PDF te downloaden.Fotografie

Links en Literatuur:
British Library. Preservation Advisory Centre. Photografic Material
Elf grote bedreigingen van fotocollecties
Johan M. Swinnen, De kunst van het fotoarchief, 170 jaar fotografie en erfgoed. (2009)

2 december 2014. An-organische materialen. Metaal in Leiden.

2 December waren we te gast bij het Museum Boerhave in Leiden voor een college over metaal. Museum Boerhave is hiervoor een geschikte locatie om zij een eigen atelier hebben voor metaalrestauratie. In de ochtenduren kregen we les van Rosalijn IJken, zelfstandig metaalrestaurator. Zij vertelde ons over de eigenschappen van metaal en waar je op moet letten in de omgang met metalen voorwerpen. NOOIT MET BLOTE HANDEN AANRAKEN volgens Rosalijn. Vetten en zuren op de handen kunnen immers nare vingerafdrukken achterlaten. Die vingerafdrukken worden door oxidatie soms pas op een later tijdstip zichtbaar en zijn erg moeilijk te verwijderen.

In de middag werden we in het restauratieatelier rondgeleid door Auke Gerrits, metaalrestaurator bij Museum Boerhave. Hij liet ons enkele technieken zien van metaal bewerken. Zoals vrezen, forceren en zelfs het tappen van een schroefdraad.

Metaal Auke

Metaal

Metalen zijn in de loop der eeuwen veel gebruikt om talloze verschillen sier- en gebruiksvoorwerpen te maken. We komen dan ook veel metaal tegen in museale collecties. Metalen geven meestal de indruk goed bestand te zijn tegen schades. Niets is echter minder waar. De meeste metalen zijn uitermate gevoelig voor corrosie. Corrosie kan men beschrijven als een proces waarin een metaal terug tracht te keren naar zijn oorspronkelijke vorm, het metaalerts (een metaaloxide of sulfide) waaruit het gewonnen werd. Om van een erts een metaal te maken wordt er veel energie ‘toegevoegd’. Een metaal keert langzaam terug naar zijn oorspronkelijke lage energie toestand door zich te binden aan zuurstof of chloriden. Roest is een voorbeeld van ijzer dat zich bind met zuurstof. De edele metalen zoals zuiver goud en platina zijn of deze regel een uitzondering , alle onedele metalen takelen echter in de loop van de tijd af. Corrosie is een elektrochemisch proces. Onder invloed van een ionengeleider, vaak water waarin de ionen ‘oplossen’, maken ionen zich los van moleculen. De moleculen splitsen zich als het ware op en vormen nieuwe verbindingen. Zo kan er oxidatie of corrosie optreden.

Soorten metaal en legeringen

Er zijn veel bekende metalen. Enkele van de soorten die men vaak in musea tegenkomt zijn: koper, ijzer, zilver, tin en lood. Metalen kan men herkennen aan hun kleur. Goud is geel, koper is rossig van kleur. De overige metalen zijn wit (zilver) van kleur of grijs. De aanslag of corrosie van een metaal kan ook een specifieke kleur hebben. Wanneer zilver aanslaat is de kleur van de corrosie zwart, maar als de laag nog erg dun is kan het een regenboog reflectie hebben. IJzer-oxide, ofwel roest, in oranjebruin tot rood van kleur. Ernstige corrosie op voorwerpen van koper is groen van kleur en loodoxide is wit. Daarnaast kan men metalen herkennen aan hun gewicht. Lood is zwaar en aluminium is licht. IJzer en de meeste ijzerlegeringen zijn de enige metalen die magnetisch zijn.

Zilveren lepel. Zilver is een wit metaal

Zilveren lepel. Zilver is een wit metaal

304px-Gold-crystals

Geel Goud

220px-NatCopper

Rood koper

Pure metalen zijn in de regel zachter en gevoelig voor corrosie. Daarom is men metalen met elkaar gaan versmelten (legeringen) om andere eigenschappen te bereiken. Zo is men zilver met koper gaan legeren om het zo harder te maken, waardoor het beter kon worden gebruikt voor gebruiksvoorwerpen zoals bestek en ander eetgerei. Een andere bekende legering is messing (geelkoper of in het engels brass). Dit is een legering van koper (55 tot 70%) en zink (45 tot 30%). Dit geeft een hard en gelig metaal. Aan een normale messinglegering kan een kleine hoeveelheid van een ander metaal worden toegevoegd om de eigenschappen van het messing te verbeteren. Als men aluminium of tin toevoegt aan messing maakt dit het metaal sterker en corrosiebestendig. Het aluminium of tin vormt een zeer hard, dun en doorzichtig corrosielaagje dat zelfherstellend is en het voorwerp beschermd tegen verdere corrosie. Dit soort legeringen word zeer veel gebruikt in zoutwatermilieus. Het wordt ook wel naval brass genoemd. We hebben in het Noordelijk Scheepvaartmuseum dan ook veel messing voorwerpen in onze collectie.

Metaal kan ook gegalvaniseerd worden om het bestendiger te maken tegen corrosie en krassen of om het uiterlijk te verfraaien. Het ene metaal wordt met behulp van een elektrochemische methode bedekt met een laagje van een ander metaal. Blik is bijvoorbeeld vertind ijzer. Wanneer de dekkende laag sluitend is zal een voorwerp reageren alsof het van het dekkende materiaal is gemaakt. Een zilveren voorwerp dat verguld is zal dus niet zwart verkleuren of corroderen. Wanneer de dekkende laag een metaal is dat minder edel is, zoals bijvoorbeeld bij verzinkt ijzer, dan vormt de corrosielaag van het dekkende metaal een beschermende laag (de corrosie concentreert zich op de onedele dekkende laag, waardoor het onderliggende metaal onaangetast blijft)

Het bewerken van metaal

Er zijn verschillende manieren om metalen te bewerken. Zoals: smeden, gieten, forceren,klinken,hameren, draaien en vrezen. Bij gedraaid metaal word het metaal in een draaibank rondgedraaid en met een bijtel word er metaal wordt uitgesneden. Gedraaid messing komen we in het NSM regelmatig tegen in de vorm van bijvoorbeeld kompasbehuizingen. Geforceerd metaal zien we al een plaat metaal (of blik) met mechanische kracht rond een vorm word geperst, het betreft hier meestal ronde of conische vormen. Bij het slaan van metaal en word een stuk of plaatje metaal met een hamer om een klein aambeeld tot de gewenste vorm geslagen. Geslagen metaal is te herkennen aan een oppervlak met een reliëf van vele ondiepe kuiltjes veroorzaakt door de hamerinslagen. Klinken is een methode om twee platen metaal met elkaar te verbinden. In de platen of metalen onderdelen zijn eerst gaten geponst. Deze gaten worden parallel gelegd met de corresponderende gaten in de andere plaat of onderdeel. Door deze gaten word een metalen staafje of klinknagel gestoken. Deze nagel werd vervolgens aan beide kanten op plat geslagen (ziet men soms bij klein smeed werk) of met behulp van een dolly en snappers aan beide kanten bol geslagen. Deze verbindingsmethode is beter bestand tegen de stress veroorzaakt door het krimpen en uitzetten van metaal onder temperatuurverschillen dan lasnaden. Daarom is deze methode vaak gebruikt in de scheepsbouw.

Schade aan metalen en preventieve conservering.

Schade door fysieke krachten: Metalen zijn gevoeliger voor schade door fysieke krachten dan dat ze op het eerste oog lijken. Metalen zijn soms zachter dan we verwachten en daardoor gevoelig voor krassen en deuken. Draag daarom geen juwelen zoals ringen, horloges of armbanden bij het hanteren van metaal. Ondersteun objecten goed en let op waar het zwaartepunt ligt om te voorkomen dat ze omvallen. Metaal heeft een kristalstructuur, maar herhaaldelijke mechanische stress, zoals buigen, stoten of vallen, kan het kristalrooster veranderen waardoor het metaal bros wordt en makkelijk breekt. Denk aan een paperklip die breek als je het ijzerdraad een aantal keer buigt. Onderdelen van metalen voorwerpen kunnen soms los zitten of niet goed vastgezet zijn. Dus ook voor metalen voorwerpen geld dat je ze niet moet oppakken bij uitstekende onderdelen zoals oren of handvaten. Deze kunnen verbuigen of breken. Veel poetsmiddelen bestaan uit een schuurmiddel en ammoniak. Elke poetsbeurt verwijdert schuurt een klein laagje metaal weg waardoor het steeds dunner wordt of decoraties weggepoetst worden. Het ammoniak zorgt voor extra corrosie waardoor dit dunne metaal extra gevoelig word voor breken of scheuren.

Biologische schade: Metalen zijn niet gevoelig voor biologische schade. Sommige metalen zoals zilver en koper (en koperlegeringen zoals messing) hebben zelfs een antibacteriële werking.

Schade door licht: Metalen zijn zelf niet gevoelig voor licht. Eventuele restauraties en gebruikte lijmen kunnen dat echter wel zijn. Schade door een verkeerde luchtvochtigheid: Corrosie is een elektrochemisch proces waar water voor nodig is. Een te hoge luchtvochtigheid kan dus rampzalige gevolgen hebben voor een metaalcollectie. Het advies is dan ook om metaal bij een lage luchtvochtigheid te bewaren. Het liefst bij een RV onder de 30%. Dit is echter economisch onrealistisch. Gevoelige voorwerpen kan men echter in luchtdichte plastic dozen bewaren in combinatie met een vochtvreter van silicagel (deze mag de voorwerpen niet direct raken). Men kan voorwerpen ook sealen in plastic (niet vacuüm). Dit moet men doen in een ruimte waar de luchtvochtigheid laag is (anders word er vocht in de verpakking gesloten). Probeer de RV in een depot waar metalen open bewaard worden rond de 40% te houden.

Literatuur en Links:

Verzeker de bewaring: Aflevering metaal.
rust_never_sleeps
Museum Galleries Scotland.Caring for metalcollections in museums.

Chemische schade en schade door vervuiling: De grootste schadepost aan metalen is corrosie, een vorm van chemische schade. Vuil en stof op het oppervlak van een metalen voorwerp trekken vocht aan waar het metaal mee reageert. Zuren kunnen ook voor corrosie zorgen. Zuren, vet en chloriden op het huidoppervlak kunnen op de meeste metalen lelijke gecorrodeerde vingerafdrukken veroorzaken. Gebruik daarom altijd handschoenen bij het hanteren van metaal. Ook zuren uit bijvoorbeeld eigenhout, mdf of papier kunnen voor corrosie zorgen. Zo oxideert lood onder de invloed van zuur tot het witte en giftige loodoxide. Vooral de combinatie van lood en eikenhout is wat dat betreft berucht. Gebruik dan ook geen hout of andere zure verpakkingsmaterialen. Maak gebruik van zuurvrij papier of inert plastik (polyester). Zwavel in de lucht zorgt voor een zwarte oxidatie op zilver. Ook zwavel in rubber kan zilver aantasten (gebruik dus nooit elastiekjes in contact met zilver). Bepaalde soorten vilt,wol, rubber en sommige verven kunnen zwaveldampen uitwasemen. Houdt hier ook rekening mee bij het opslaan van zilver. Let op welke soorten metaal men naast elkaar bewaard. Wanneer sommige metalen elkaar aanraken kan er een galvanisch koppel ontstaan, waardoor het minst edele metaal versneld gaat corroderen. Dit noemt men galvanische- of contactcorrosie. Wanneer de beschermde laag van een gegalvaniseerd object gekrast of op andere wijze is beschadigt kan men deze reactie ook zien optreden.

  Hanteren van metalen voorwerpen.

Hanteer de voorwerpen bij voorkeur met nitril-handschoenen aan. Want hoewel het soms even duurt dat vingerafdrukken op metaal te voorschijn komen , ze zijn erg moeilijk om te verwijderen. Bovendien kunnen sommige corrosie producten (zoals lood-oxide) giftig zijn. Draag geen ringen of andere juwelen om krassen te voorkomen. Pak metalen voorwerpen op met beide handen en til het niet op aan oren, tuiten of andere uitstekende onderdelen omdat deze kunnen afbreken.

25 November 2014. Multimediaopdracht.

Op 25 November gingen we zelf aan de slag met de multi-media opdracht. Wat wordt er echter bedoelt me multi-media? Volgens Wikipedia wordt de term multi-media op verschillende manieren gebruikt:

  1. Voor computertoepassingen waarin verschillende media worden gebruikt. In deze context zijn media geluid (bijvoorbeeld muziek in een mp3– of MIDI-bestandsformaat), stilstaand (bijvoorbeeld foto‘s) en bewegend (bijvoorbeeld animaties of video) beeld, andere informatie (bijvoorbeeld tekst), alsook invoermedia als toetsenbord, aanraakscherm, joystick, MIDI-klavier enz.
  2. Om het verschil tussen drukwerk (papier is de beelddrager) en computergestuurde uitingen (computerscherm is de beelddrager) weer te geven. Multimedia staat in die betekenis voor een (doorgaans interactieve) uiting op bijvoorbeeld een cd-rom, een dvd of een website.
  3. In de context van kunst en ontwerp staat multimedia voor een benaderingswijze die zich buiten de traditionele categorieën begeeft. De term wordt meestal gebruikt in relatie met nieuwe media-ontwerpen en kunstdisciplines. Deze hebben immers per definitie een grensoverschrijdend karakter. De diverse producten die daaruit voortkomen noemt men mediakunst.
  4. De term multimedia wordt ook vaak gebruikt als verzamelnaam voor visuele en auditieve opslag, weergave en transmissie van informatie, zoals foto, film, bandopname, televisie, internet, e.d.

Multi-media in de kunstvorm hebben we bij het Noordelijk Scheepvaartmuseum niet in onze vaste collectie. Natuurlijk hebben we wel de prachtige digitale reconstructie “Groningen in 1470” maar het behoud en beheer van deze film ligt in de handen van de producenten “los Digitalos”. Daarom behandel ik in deze opdracht de term multimedia als verzamelnaam voor auditieve en visuele opslag. De meeste historische musea hebben wel een aantal geluids- en beelddocumenten in hun archief of collectie. Ook het Noordelijk Scheepvaartmuseum heeft enkele kopieën in het bezit van cassettetapes met interviews afgenomen bij schippers begin jaren negentig. De originele cassettetapes zijn inmiddels overgedragen aan het GAVA (Gronings AudioVisueel Archief). Daarnaast heb ik mij tijdens mijn Master geschiedenis ook beziggehouden met mondelinge geschiedenis en heb ik voor mijn eindscriptie verschillende mosselvissers, actievoerders en biologen geinterviewd.

Still uit de digitale reconstructie "Groningen in 1470".

Still uit de digitale reconstructie “Groningen in 1470”.

In deze opdracht bespreek ik het behoud van geluidstapes(cassettebandjes) en van geluidsdocumenten op DVD. Hierbij komen problemen zoals sticky-shed syndroom bij geluidstape, CDrot en de vergangelijkheid van digitale bestanden aan de orde.

Interview met dhr. Daan de Haan (interviewer onbekend), november 1993. Duur 1 uur en 12 minuten. Op Phillips C-90 cassette.

Op de tape zelf staat alleen de informatie: Interview Daan de Haan, november   1993. Op de tape zelf noemt de interviewer, een man, zijn naam niet. Ook wordt er geen verdere informatie over datum of locatie van het interview gegeven.  Volgens de conservator is het origineel overgedragen aan de Groninger archieven en opgenomen het GAVA, maar bij een zoekactie op de site van het GAVA heb ik dit interview niet terug kunnen vinden. Overigens staat er wel een videointerview met Dhr Daan de Haan op de site van het GAVA.

Dataverlies: De tape in onze collectie staat niet geregistreerd in Adlib. Het geheel is dus erg gevoelig voor informatieverlies. Het is bij interviews handig als in de opname zelf een introductie word opgenomen waarin wordt genoemd wie de deelnemers zijn, wanneer en waar het gesprek is opgenomen en wat het doel/reden van het gesprek is. Deze informatie kan met het beste ook op de behuizing van de tape of ander drager vermelden en ook registreren in adlib of een vergelijkbaar systeem. Het koste ook even moeite om een cassettedeck te vinden om het bandje af te spelen.
Staat fysieke drager: De cassette was toen ik hem vond erg stoffig. Gelukkig bleek het bandje na schoongeblazen te zijn nog in goede staat en was het interview goed af te luisteren. Gevoeligheden cassettebandjes: magnetische tapes (video, audio en digitaal) en daaronder vallen ook cassettebandjes, zijn berucht om het sticky-shed syndroom. Een tape bestaat uit een plastic laag waar doormiddel van een lijmlaag magnetische deeltjes op zijn aangebracht. Bij sticky-shed syndroom is er een lijm gebruikt die hygroscopisch is en die in de loop van de tijd water aantrekt. Het gevolg is dat de magnetische laag van de tape los kan laten. Soms in de vorm van een poeder, soms in de vorm van een plakkerig residu dat ook de leeskoppen van de cassettespeler kan vervuilen.[1] Niet alle merken cassetebandjes en audiotapes hebben last van dit syndroom. Eigenlijk komt dit probleem vooral voor bij de merken Ampex, Scotch/3M en Sony.[2] Phillips gebruikte een andere lijm en er zijn geen cassettebandjes van dit merk bekend die last hebben van het sticky shed probleem. Sticky shed is tijdens het afluisteren te herkennen aan een piepend geluid op de band. Een tape die is aangetast door Sticky Shed Syndroom kan men tijdelijk repareren door hem te bakken. Dit betekend het voorzichtig verwarmen van de tape in een oven om het aangetrokken vocht te verdampen[3]. Dit is geen houdbare restauratie methode, het maakt de tape slechts voor korte duur weer bruikbaar, maar het geeft in ieder geval de mogelijkheid om de inhoud van het geluid te kopiëren naar een nieuw medium. Om onder andere sticky shed syndroom te voorkomen word er geadviseerd om magnetische tapes bij een relatief lage luchtvochtigheid (30-40% RV) te bewaren.[4]
Een ander bekend probleem van audiotape en cassettebandjes is het doorprinten van het geluidssignaal. Onder invloed van warmte en uitwendige magnetische signalen kan het magnetische signaal van de ene kant van een tape kan het signaal aan de andere kant beïnvloeden waardoor de geluidskwaliteit achteruit gaat. Hoe dunner de tape hoe meer kans er is dat doorprinten optreed. [5]Archivisten werd daarom ook aangeraden om de lengte van hun cassettes te beperken. Een cassettebandje waar 2 uur geluid op kan worden opgenomen, een c-120, is namelijk dunner dan een cassettebandje van een uur, een c-60. Daarnaast word er geadviseerd om audio tape bij temperaturen tussen de 8 en 20 graden celcius te bewaren en uit de buurt van elektrische velden veroorzaakt door huishoudelijke apparaten en computers.[6] Op het Phillips cassettebandje waar het interview met Dhr De Haan op staat is gelukkig nog geen storende doorprint te horen. Het interview is goed af te luisteren.

Interview met Norbert Dankers, marinebioloog. Interviewer Jacoline Bodewes. Opgenomen op 12 juli 2011, bij Dhr Dankers thuis, Den Hoorn, Texel. Duur 1.24.21 (een uur, 24 minuten en 21 seconden). MP3 formaat op CD.

Fysieke staat CD: Op de cd staat geprint: “Mosseltransitie, Norbert Dankers-Bioloog” en staat het loge van de Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Letteren, Faculteit rechtsgeleerdheid. Audiovisuele dienst Harmoniecomplex. CD verkeerd in goede staat, geen verkleuringen van de metaallaag, slechts een paar kleine krasjes die de geluidskwaliteit bij het afspelen niet aangetast blijken te hebben. CD wordt in een verzamelcassete met enkele andere CD’s bewaard waarin iedere CD een eigen hoesje heeft.
Dataverlies: Het gehele interview is nog zeer goed af te luisteren, geen data verlies. De informatie op de CD zelf is echter te summier, hierdoor kan de context van dit interview later verloren gaan. Op advies van de docent mondelinge geschiedenis heb ik dit interview echter gestart met het noemen van de datum, de namen van de geïnterviewde en de interviewer, de locatie en het onderwerp van het interview. Het zou nuttig zijn om alle CD’s met intervieuws die ik heb afgenomen voor mijn scriptie bij elkaar te bewaren, met een verwijzing naar de scriptie erbij en eventueel ook een Digitaal exemplaar (op CD of memorystick) van mijn scriptie erbij, zodat het geheel als een samenhangende collectie bewaard kan worden.
Gevoeligheden CD: Hoewel er bij deze CD geen sprake van is, kunnen CD’s gevoelig zijn voor CD-rot. CD-rot is een verzamelnaam voor verschillende vormen van beschadigingen aan CD’s waardoor de opgeslagen data moeilijk uitleesbaar wordt. De klassieke vorm van CD rot wordt veroorzaakt door het degraderen (oxideren) van de datadragende laag van de CD. Een cd bestaat uit verschillende lagen. De datadragende laag bestaat meestal uit aluminium. Aluminium oxideert uit zich zelf erg snel. Om dit te voorkomen is deze laag op een CD afgedekt met een laklaag. De datadragende laag kan aan de randen van CD echter open liggen en de beschermende laklaag kan gemakkelijk beschadigen (makkelijker aan de bovenkan van de CD dan aan de onderkant, in tegenstelling van de gangbare verwachtingen, omdat de laklaag hier het dunst is). Hierdoor komt de metalen datadragende laag bloot te liggen en wordt gevoelig voor oxidatie. Onder invloed van warmte en licht verloopt dit proces nog sneller. Deze klassieke CD-rot is te herkennen aan of de verkleuring van de CD, een koffievlek –achtige verkleuring), of een bronzige kleur van de cd (dit komt voor bij CD waar de datadragende laag van zilver was gemaakt). Als je kleine lichtpuntjes of gaatjes zien als je een CD tegen het licht houd, dan is er ook sprake van CD-rot. CD’s waar de data-dragende laag van goud is gemaakt zijn minder gevoelig van CD-rot of dat goud niet of nauwelijks oxideert. [7] Er kan bij een CD ook data verlies optreden als de CD verbogen wordt, dit kan al gebeuren als een CD uit zijn doosje wordt gehaald.

CD-rot

CD-rot

CD-rot kan ook zichtbaar zijn als lichtpuntjes als je de CD tegen het licht houd.

CD-rot kan ook zichtbaar zijn als lichtpuntjes als je de CD tegen het licht houd.

Om CD-rot te voorkomen en digitale CD wordt er geadviseerd om CD’s in hun jewelcases (standaard CD doosje)te bewaren en dat ze niet liggend maar op hun kant worden bewaard. Plak geen etiketten op CD’s en schrijf informatie het liefst met stift op de doorzichtige binnenring van een CD.Bewaar CD’s ook buiten het licht, onder lage luchtvochtigheid (20% tot 50%), en laat de temperatuur niet te hoog worden, liefst onder de 23 graden celcius en zeker niet hoger dan 32 graden.[8]

Houdbaarheid digitaal format, MP3 (Mpeg): Voor bijna alle audiobestanden, maar zeker digitale bestanden, bestaat naast het probleem van de houdbaarheid van de fysieke drager, het probleem van de houdbaarheid van het bestand zelf. Niet alleen het bestand moet bewaard worden, maar ook de manier van het terugluisteren van het bestand. Het bleek al moeilijk om een cassettedeck te vinden waarop we het cassettebandje konden afpelen. Bij digitale bestanden bestaan er voor het afluisteren van de bestanden speciale programma’s. Die programma’s zijn op hun beurt geschreven voor bepaalde computers. Als of de drager, of het soort bestand, of het afluister programma, of de computer waarvoor de programma’s voor zijn geschreven , in ongebruik raken dan loop je een groot risico kan je je bestand niet meer kan afluisteren. Er zijn twee mogelijke strategieën om dit probleem tegen te gaan, migratie en emulatie. Met migratie bedoelt men het omzetten van een veroudert formaat, naar het nieuwe gangbare format. Een voorbeeld is het geluid op een cassetebandje digitaal opnemen en opslaan als een Mp3. Met digitale bestanden moet men dit proces om de zoveel jaar herhalen om actueel te blijven. Zeker als men een grote hoeveelheid bestanden moet bewaren dan kan dit een zeer omslachtig werk zijn. Emulatie is een ander strategie om digitale bestanden leesbaar te houden. Emulatie kan het best beschreven worden als het nabootsen van een computerprogramma of platvorm op een ander computerplatvorm of programma. Een moderne computer bootst als het waren een ouderwetse computer na, waardoor de moderne computer ook de ouderwetse programma’s kan openen. Emulatie geeft digitale bestanden op die mannier een langer duurzaamheid. Een goede combinatie van zowel migratie als emulatie is op dit moment de beste manier om digitale informatie te bewaren.[9]

[1]https://en.wikipedia.org/wiki/Sticky-shed_syndrome 25-2-2015

[2] http://www.tapeheads.net/showthread.php?t=2597 25-2-2015

[3] http://audio-rescue.com/sticky/ 25-2-2015

[4] http://loc.gov/preservation/care/record.html 25-2-2015

[5] http://www.aes.org/aeshc/docs/3mtape/printthrough.pdf 26-5-2015

[6] http://loc.gov/preservation/care/record.html

[7] http://www.cci-icc.gc.ca/resources-ressources/ccinotesicc/19-1-eng.aspx 26-5-2015

[8] Idem.

[9] http://www.kb.nl/organisatie/onderzoek-expertise/onderzoek-digitalisering-en-digitale-duurzaamheid/publicaties-van-en-over-kb-onderzoek 26-2-2015.

18 november 2014. An-organische materialen.Keramiek, Princessehof en het Fries Museum.

14 November zou de dag over keramiek gaan. Voor mij eindelijk een keer een kort reisje, want ons kijkje achter de schermen deden we deze keer bij het Princessehof en Het Fries Museum in Leeuwarden. Helaas kon ik er toch maar voor de helft van de dag bij zijn omdat s’ochtend een afspraak bij de dokter had. Gelukkig heb ik wel kunnen meelopen met de rondleiding. Het Princessehof heeft een zeer indrukwekkende collectie keramiek.Het Museum heeft een collectie van ruim 35.000 stuks Aziatische, Europese en moderne keramiek. Het Fries museum heeft ook een erg mooie collectie, maar naar mijn mening helaas een aantal overactieve vormgevers.De manier waarop de voorwerpen zijn tentoongesteld trekt (veel) meer aandacht dan de voorwerpen zelf. Een gemiste kans, want hierdoor zag ik bijna een Rembrandt over het hoofd!

Collectiebeheerder Nynke Spahr van der Hoek Leide ons door het Princessehof en vertelde ons tijdens de rondleiding het een en ander over het hanteren van keramiek. Keramiek moet je altijd met twee handen oppakken en nooit aan oren of tuiten want deze kunnen afbreken. Ook moet je keramiek niet ‘horen’. In andere woorden het keramiek moet niet tegen alkaar aan stoten, en je mag ook geen geluid horen bij het oppakken of neerzetten van schalen en komen. Bij elk geluid weet je dat je het keramiek te grof hanteerd.

Naar aanleiding van dit bezoek kregen we ook weer de opdracht om een stukje voor ons materialen/stalenboek te schrijven. Keramiek valt onder de an-organische material, net zoals steen en gips, metalen, glas en plastics.

Soorten Keramiek

Keramiek wordt onderverdeeld in drie soorten: aardewerk, steengoed en porselein. De verschillen tussen deze drie ontstaan door het gebruik van verschillende soorten klei en de verschillende temperaturen waarbij de klei wordt gebakken.

Aardewerk is de oudste vorm van keramiek. De klei wordt gebakken bij lage temperaturen (onder de 1200 Celcius). Aardewerk is hierdoor poreus. De ‘keramische scherf’ (de gebakken klei) kan beige, bruin, rood, zwart , grijs of witachtig van kleur zijn afhankelijk van de gebruikte klei. Hoe lager de temperatuur waarbij de klei wordt gebakken, hoe minder versintering er plaats vind en hoe poreuzer het aardewerk is. Aardewerk is vaak erg poreus, men kan de poriën in het materiaal met het blote oog zien.

Scherven van verschillende kleuren aardewerk (geel, grijs, beige, rood, grijszwart)

Scherven van verschillende kleuren aardewerk. (geel, grijszwart, beige, rood). 0 tot 500 na Chr.

Steengoed word gebakken in een oven met een temperatuur van tussen de 950 en 1350 graden Celcius. De scherf is wit, grijs, zwart of bruingeel van kleur en over het algemeen niet poreus. Steengoed wordt al sinds 1000 v. Chr. geproduceerd in China, waar men een voorsprong had in oventechnologie en in materiaalkennis. Vanaf 900 na Chr. wordt steengoed ook in Europa geproduceerd. Middeleeuwse baardmankruiken en ‘Keulse’ potten zijn bekende voorbeelden van middeleeuws Europees steengoed.

Keulse potten en kruiken. Afkomstig uit het wrak van het vrachtschip 'Lutina

Keulse potten en kruiken. Afkomstig uit het wrak van het vrachtschip ‘Lutina”. 1888. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Afdeling scheepsarcheologie Lelystad.

Porselein wordt gemaakt van witte kaolien klei (porseleinaarde) die gemengd wordt een vorm van (niet ijzerhoudende) veldspaat of graniet en zilverzand (kwarts) in een verhouding van 2:1:1. Deze klei is fijn van structuur en wordt gebakken bij een temperatuur tussen de 1100 en 1450 graden Celcius. Porselein is een materiaal dat niet of nauwelijks poreus is. De scherf van porselein is wit en vaak enigszins transparant. De hoge baktemperatuur zorgt echter ook voor spanningen in het materiaal waardoor het zeer gevoelig is voor schokken en relatief snel breekt. Porselein werd tussen 7de en de 9de eeuw na Chr. ontwikkeld in China. Europees porselein wordt sinds de 18de eeuw geproduceerd.

2 Vierkante porseleinen flesjes. Xangchi periode 1662-1722. Fries Scheepvaartmuseum

2 Vierkante porseleinen flesjes. Xangchi periode 1662-1722. Fries Scheepvaartmuseum

Afwerkingen van keramiek. Glazuren 

Keramiek wordt vaak geglazuurd. Een glazuur is laagje glas dat is versmolten met het oppervlak van het keramiek. Een glazuur brengt men aan om een voorwerp waterdicht te maken en/of een voorwerp te decoreren. Een glazuur kan een voorwerp ook sterker en slijtvaster maken. Tenslotte kan het glazuur ook dienen als een isolator voor bv. elektriciteit. Een glazuur bestaat uit siliciumoxide, de glasmaker, dat van nature aanwezig is in de klei of apart wordt toegevoegd en uit een smeltmiddel zoals zout, kalium of lood. Het smeltmiddel verlaagt het smeltpunt van het siliciumoxide waardoor dat in de oven smelt en een glaslaagje vormt. Er kunnen ook kleurmiddelen in de vorm van metaaloxides worden toegevoegd aan een glazuur. Keramiek dat op hoge temperaturen wordt gestookt heeft meestal een harde structuur en een goed gehecht glazuur. Een glazuur dat bij lagere temperaturen is gestook, of onevenwichtig is gestookt zal zich vaak minder goed hechten aan het aardewerk waardoor het eerder kan gaan schilferen.

Bekende glazuren zijn zoutglazuren, asglazuren en lood- en tinglazuren.

Een zoutglazuur ontstaat als er tijdens het stoken zout wordt toegevoegd in de oven. Zout is natriumchloride. Bij de hoge temperaturen verdampt het zout. Het chloride verdwijnt in de vorm van gas in de atmosfeer, maar het natrium slaat neer op het keramiek en versintelt met de siliciumoxide in de klei. Hierdoor vormt zich een dun glazuur op het keramiek, met een karakteristieke sinaasappelhuid structuur. Veel Europees steengoed heeft een zoutglazuur.

Baardmankruik met zoutglazuur. Let op de sinaasappel structuur van het glazuur.

Baardmankruik met zoutglazuur. Let op de sinaasappel structuur van het glazuur.

Asglazuren komt men vaker tegen bij Aziatisch keramiek. Plantaardige as bevat natrium (zout) en kalium. Een asglazuur is van nature groen tot bruin van kleur. Celadon, een Aziatisch keramiek dat de kleur van Jade imiteert is een bekend voorbeeld van de toepassing van asglazuur. Het asglazuur kleurt groen door een reactie met het ijzer aanwezig in de klei, de as zelf of een combinatie van beiden.

Celadon uit Noord China 11de eeuw. Celadon heeft een jadegroen asglazuur.

Celadon uit Noord China 11de eeuw. Celadon heeft een jadegroen asglazuur.

Een loodglazuur kan worden gemaakt door een lood-oxide rechtstreeks op het oppervlakte van het keramiek aan te brengen voor het stoken. Een tweede methode is door de loodoxide te mixen met kwarts tot een vloeibare suspensie waarin het keramiek wordt gedoopt voor het stoken. De derde methode is een Frit. Bij een frit wordt kwarts eerst samengesmolten met smeltzout tot een soort glas. Omdat het giftige loodoxide is samengesmolten met het kwarts wordt het onoplosbaar waardoor het veiliger is in gebruik. Dit glas wordt vervolgens fijngemalen tot een zand waar een suspensie van wordt gemaakt waarin het keramiek gedoopt wordt alvorens het stoken. Een loodglazuur is glanzend en doorzichtig. Een loodglazuur komt veel voor op europees keramiek van voor de 19de eeuw.

Een variant op het loodglazuur is een tinglazuur. Door de toevoeging van tin aan een loodglazuur wordt het glazuur opaak en wit. Voorbeelden van tinglazuren zijn Majolica, Faience en delft.

Nederlands blauw tegeltje met tinglazuur. 1625-1650. Nederlands Tegelmuseum

Nederlands blauw tegeltje met tinglazuur. 1625-1650. Nederlands Tegelmuseum

Schade aan keramiek en preventieve conservatie.

Fysieke krachten: Hoe harder het keramiek hoe gevoeliger het is voor schokken. Harder keramiek zal daardoor vaak sneller breken of barsten. De meest voorkomende schade aan keramiek zijn breuken, barsten en chips die veroorzaakt zijn door onzorgvuldig handelen van de mens. Vooral als de glazuurlaag niet zo’n sterke hechting heeft met de gebakken klei kunnen stoten de oorzaak zijn van een schilverend glazuur. Dit komt vooral voor bij aardewerk, wat op lagere temperaturen is gestookt.

Er is veel keramiek dat boven op zijn glazuur nog extra decoraties heeft, zoals verflaagjes, verguldsel of extra glazuur of email-laagjes. Deze decoraties kunnen makkelijk beschadigd worden door onzorgvuldig poetsen.

Schade door incorrecte RV en verontreiniging of chemische schade: Schade aan keramiek kan ook worden veroorzaakt door zouten. Daar zijn twee soorten van te herkennen. Schade door oplosbare zouten (meestal chloriden) en schade door niet oplosbare zouten (meestal carbonaten). Deze schade is een voorbeeld van chemische schade(verontreiniging) en een schade die kan worden veroorzaakt door een verkeerde luchtvochtigheid.
Oplosbare zouten kunnen op verschillende manieren in keramiek terecht komen. De gebruikte klei kan bijvoorbeeld zouten bevatten, of de oorspronkelijke inhoud van een voorwerp kan zouten hebben achtergelaten (b.v. keukenzout). Schoonmaakmiddelen kunnen ook een bron van zouten zijn en archeologische vondsten kunnen zout uit de grond of zee hebben opgenomen. Ook kunnen voorwerpen van keramiek water en zouten uit de omgeving opnemen, zoals bijvoorbeeld tegels op een vloer of muur. Het probleem ontstaat wanneer een ‘zout’ stuk keramiek vochtig word. Wanneer het vocht verdampt vormen de achtergebleven zouten kristallen aan het oppervlak. Schade wordt veroorzaakt doordat de zoutkristallen het glazuur wegdrukken. Door de RV zo stabiel mogelijk te houden (tussen de 40 en 60% RV en schommeling van minder dan 5% per dag) kan men zoutuitbloei proberen te voorkomen.
Schade door niet-oplosbare zouten is vaak te vinden op archeologische vondsten, maar ze blijven ook vaak achter bij de verdamping van kalkhoudend kraanwater in de vorm van ‘kalkaanslag’. Het is te herkennen als een harde, witachtige aanslag.

Keramiek kan ook verkleuren door inwerking van de omgeving. Bijvoorbeeld, oranje of rode ijzervlekken. Lood en tinglazuren kunnen zwart worden als ze in een natte en zuurstofarme omgeving hebben gelegen. Verguldsel op keramiek kan relatief makkelijk worden aangetast door zuren en zouten op blote vingers, deze kunnen lelijke vingerafdrukken achter laten.

Stof dat jarenlang in holtes van keramiek licht kan verharden en moeilijk schoon te maken zijn. Stof trekt bovendien vocht aan en kan daardoor een voedingsbodem zijn voor schimmels.

Schade door schimmels, pestdieren of plantengroei: Geglazuurd aardewerk dat in goede staat verkeerd is weinig gevoelig voor biologische schade. Op ongeglazuurd aardewerk kunnen bij een RV van hoger dan 60% schimmelplekken ontstaan. Vooral als het aardewerk erg stoffig is. Het stof trekt vocht aan en kan een voedingsbodem voor schimmels zijn. Op ongeglazuurd aardewerk dat in de buitenlucht wordt bewaard (bv een terracotta plantenpot) kunnen algen en mossen groeien.

Verkeerde restauraties Oude restauraties zijn ook een veel voorkomende vorm van schade. Zo kan er schade veroorzaakt worden door het gebruik van een verkeerde lijm. De lijm kan bijvoorbeeld verkleuren, of er kunnen schadelijke stoffen in de scherven terecht komen. De lijm kan ook te zwak zijn waardoor de restauratie geen stand houd, of te sterk waardoor een restauratie onomkeerbaar wordt. Als er een verkeerde lijm wordt gebruikt op poreus keramiek kunnen er ook korreltjes van de rand van de breuk worden afgesnoept bij het verwijderen van de lijm of als de verlijming geen stand houdt. Als er voor aanvullingen verkeerde materialen worden gebruikt kan dit ook lijden tot chemische schade. Gebroken keramiek werd soms ook gekramd. De onderdelen werden gerestaureerd met metalen verbindingsstaafjes. Corrosie van de staafje kan nieuwe barsten veroorzaken.

Gebarsten en gekramd kopje van Chinees porselein. 1775-1800 Fries Scheepvaartmuseum

Gebarsten en gekramd kopje van Chinees porselein. 1775-1800 Fries Scheepvaartmuseum

Schade door licht. Keramiek is zelf niet gevoelig voor licht. Oude restauraties kunnen wel lichtgevoelig zijn. Lijm of aanvullingen kunnen onder invloed van licht en/of warmte bijvoorbeeld verkleuren of verweken

Hanteren en schoonmaken van keramiek.

Keramiek moet altijd voorzichtig worden behandelt. Gebruik nitril handschoenen of schone en droge handen zodat men voldoende grip op een voorwerp heeft. Draag geen juwelen om krassen te voorkomen. Til een voorwerp altijd met beiden handen op. Til een voorwerp niet op aan de oren, tuit of andere uitstekende onderdelen. Deze kunnen soms afbreken. Een keramieken voorwerp kan soms verrassend ligt of zwaar zijn. Het verstandig om bij opslag in een depot bij deze voorwerpen een waarschuwing te leggen. De beste manier van schade voorkomen is het zo min mogelijk hanteren van voorwerpen. Gebruik liever geen bordenhangers. Deze kunnen schade aanrichten door de metalen haakjes en de spanning van de veren. De voorwerpen mogen ook niet teveel trillen of schudden en zet ook niet teveel voorwerpen bij elkaar (om schade door schokken en schuren te voorkomen). Er kan veel schade worden veroorzaakt door het onnodig of verkeerd schoonmaken van een voorwerp. Probeer daarom verstoffing te voorkomen door de voorwerpen indien mogelijk af te dekken of stofvrij op te bergen. Wanneer een voorwerp toch afgestoft moet worden gebruik dan een zachte kwast om schade aan glazuur, decoraties of email te voorkomen. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van een stofzuiger met borstel dan het mondstuk afdekken met een pantykous. Alleen ongerestaureerd, geglazuurd keramiek in een goede conditie kan zelf met gedemineraliseerd water worden schoongemaakt. Gebruik nooit commerciële schoonmaakmiddelen. Gebruik lauw of koud water en laat voorwerpen langzaam drogen. (Airdry).

Links en Literatuur:
CCI Care of Ceramics and glass
Verzeker de bewaring. Aflevering Keramiek
Victoria and Albert Museum. Caring for your Ceramics.
Depotwijzer.be. Archeologisch Keramiek.

7 oktober. Leer en Excursie Lederfabriek Gebr. van Esch B.V.

Op 7 oktober hadden we een excursie naar de Lederfabriek van de Gebr. van Loon B.V. We konden al duidelijk merken dat de dagen korter worden en het weer kouder. Bij de Lederfabriek werden we enthousiast ontvangen door de medewerkers. Bij de rondleiding werd duidelijk dat de medewerkers en eigenaren trots zijn op hun bedrijf en hun werk uitvoeren met liefde voor het vak.

Bij de Gebr. van Loon B.V. wordt het halffabriekaat ‘Wet Blue” leer afgewerkt tot een eindproduct. Ofwel ze produceren leder en suede met vele verschillende manieren van afwerken.

In de middag gingen we langs bij Cartouche Fashion B.V. in Drunen. Daar kregen we te zien wat er zoal gemaakt kan worden met leer.  Cartouche Fashion maakt voornamelijk riemen en lederen accesoires. De eigenaar was wat chagerijnig omdat we laat waren. Hij leek ook wat minder liefde voor het vak te hebben dan zijn collegae bij de Gebr. van Loon. Maar de ontwerper van het bedrijf had duidelijk hart voor zijn werk. Hij liet ons verschillende soorten leer (o.a. leer van zalmhuid) zien.

Van huid tot leer

het jeugdprogramma ‘Het klokhuis’ heeft een leuk en duidelijk filmpje gemaakt over dit proces.

Kenmerken van huiden en leer:

Afhankelijk van het type dier worden verschillende delen van de huid onderscheiden. Bij de meeste zoogdieren word de huid onderverdeeld in de nek, het achtereind en de flanken.

De nek, of schouder van het vel is vaak gerimpeld en heeft een ongelijke dikte. Van dit stuk huid valt moeilijk glad leer te maken.

Het achtereind of de croupon van het vel komt overeen met de achterzijde en rug van het dier, De huid is hier van gelijke dikte met een uniforme lederhuid. Van dit deel van de huid wordt de hoogste kwaliteit  afgewerkt leer gemaakt.

De flanken van het vel komen overeen met de buik van het dier. De huid is hier dunner en heeft een ongelijke structuur.

Littekens in de huid van het dier veroorzaakt door brandmerken, parasieten en insectenbeten maken de huid zwakker en kunnen gaten veroorzaken tijdens het stropen van de vel of tijdens het looiingsproces.

Gevoeligheden van leer:

Leer en vocht: Leer kan een bepaalde hoeveelheid water opnemen. Het kan echter niet goed tegen zweet, vanwege de zouten en microben. Uitgedroogd leer word hard en bros. Wisselend teveel en te weinig vocht, zorgt voor veel rek en krimp in het leer  wat scheurtjes kan veroorzaken. Bij leer dat langere tijd in water heeft gelegen, zoals bv. archeologische vondsten van onder het grondwater niveau, kan het mogelijk zijn dat de tannines of andere looiingsmiddelen zijn weggespoeld. Dit leer kan daardoor erg gevoelig zijn voor verrotting zodra het in aanraking komt met zuurstof. De vochthuishouding in leer kan men reguleren door het in te vetten. Maar als men te weinig vet gebruikt dan droogt het leer uit en word hard en stuk en breek snel. Als er echter teveel vet word gebruikt kan de nerf verstopt raken. Hierdoor raakt de vochthuishouding in het leer verstoord. Het leer kan dan hard worden. Ook kan er craquelure in het leer ontstaan als de vetlaag. uitdroogd.
Voorbeeld in het NSM: leren randen van de Toejas.

Leer en brand: Leer is in essentie brandwerend. De mate waarin hangt af van de looiing en de afwerking van het leer.

Leer en mechanische krachten: Bepaalde soorten leer hebben een hoge weerstand tegen uitrekken, scheuren, buigen, schuren en doorboren. Desondanks kunnen er door intensief gebruik toch scheurtjes, barsten en craquelure ontstaan. Ook kan de nerf van het leer breken.  Het leer kan een dof en stoffig uiterlijk krijgen. Als leer bewerkt is met een folie of een lak dan zal de folie eerder schade door gebruik en slijtage tonen. Schellak op het leer is bijvoorbeeld niet flexibel en kan breken of krassen. (Voorbeeld van mechanische schade aan leer)
Voorbeeld in het NSM: Fotocamera Zeiss Ikon in leren etui.

Rode rot in leer

Rode rot in leer

Leer en chemische schade: Een veel voorkomend probleem met leer uit de 19de en de vroege 20ste eeuw is rode rot. Rode rot is geen daadwerkelijk rottingsproces maar een chemisch afbraak proces veroorzaakt door een chemisch looiproces dat niet gestopt is. Door chemische schade kan leer ook verpoederen of kan de nerf loslaten.  Wanneer leer met zuren of bases in contact komt kan dit voor verkleuringen zorgen. Een te hoge RV en temperatuur kan chemische aantasting sneller laten verlopen. Ook stofdeeltjes in de lucht kunnen chemisch heel reactief zijn en daardoor schade aan leer veroorzaken. In het Noordelijk Scheepvaartmuseum ben ik geen voorbeelden van rode rot tegen gekomen. De meeste leren voorwerpen in onze collectie werden zeer intesief gebruikt. Voorwerpen die gevoelig waren voor Rode rot zouden dit gebruik niet overleeft hebben om uiteindelijk in ons museum terecht te komen.

Leer en biologische aantasting: Leer is door het looiingsproces zeer goed bestand tegen schimmels, leer zal in principe eerder rotten dan schimmelen.  Desondanks kan een combinatie van vetten gebruikt voor de afwerking of preservatie van leer en ophopingen van stof ook een vruchtbare bodem zijn voor schimmel op leer. Bont en schapenhuiden met wol zijn zeer gevoelig voor motten en andere keratine etende insecten. Boorders zoals bv houtworm kunnen ook dwars door het leer heen knagen.
Voorbeeld in het NSM: Leren bestekkoker.

Leer en lichtschade:  licht kan een chemisch proces opstarten in leer dat fotolyse heet. Het leer kan daardoor verbleken.
Voorbeeld in het NSM: Tabaksbuidel van marrokijnleer.

Schade voorkomen

Schade door een verkeerde luchtvochtigheid en verschillende vormen van chemische aantasting zijn de grootste bedreiging voor leer. Opslag in een goed geklimatiseerde en donkere ruimte met een luchtzuiveringsinstalatie vertraagd bestaand verval en voorkomt nieuw verval.

Literatuur:

Meer informatie is te vinden in het artikel  van Vicki Dirksen, “The degradation and Conservation of leather”, in The Journal of Conservation and Museum Studies (no. 3. November 1997)

30 september. Textiel

30 september kon ik vanwege een verplichte bijeenkomst op werk helaas niet aanwezig zijn bij de les. Ik heb daardoor een spectaculaire les gemist. Onze collega Hanna Hakvoort had met veel zorg een grote collectie materialen en voorwerpen uitgezocht om het onderwerp voor ons mooi zichtbaar te maken. Ik vind het erg jammer dat ik dit gemist heb.

Voor het schrijven van mijn stalenboek (de eindopdracht van deze module) heb ik echter het een en ander aan informatie bij elkaar verzameld. Dus bij deze presenteer ik mijn hoofdstuk Textiel.

Textiel

Textiel is eigenlijk geen materiaal, maar een composiet dat is opgebouwd uit vezels van plantaardige, dierlijke, natuurlijke of synthetische oorsprong. De processen die de grondstof heeft ondergaan om tot textiel te worden zijn dan ook van grote invloed op de eigenschappen van het uiteindelijke textiel. Echter ook de oorspronkelijke grondstof/vezel brengt zijn eigen eigenschappen mee.

Textielvezels:                                                       

Elk textiel bestaat uit vezels. De twee hoofdgroepen van vezels zijn natuurlijke vezels  en synthetische vezels.

De natuurlijke vezels zijn weer op te delen in drie categorieën:

Plantaardige vezels, deze bestaan uit cellulose. Katoen, vlas, hennep en kapok.
Dierlijke vezels, deze bestaan uit keratine. Wol, zijde.
Minerale vezels, bijvoorbeeld asbest, glas en basalt.

Voorbeeld van dierlijke vezels in het NSM: Wollen sokken van een duiker.
Voorbeeld van natuurlijke vezels in het NSM: Allemansend gemaakt van manillatouw.

Wol

Wol

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

De synthetische vezels zijn op te delen in twee categorieën:

Half-synthetische vezels,  dit zijn bewerkte plantaardige, minerale of dierlijke materialen. Viscose/rayon wordt bestaat bv uit cellulose met chemische toevoegingen, acetaat is een ester van azijnzuur en rubber ondergaat een chemisch proces dat vulkaniseren wordt genoemd.
Synthetische vezels, vol synthetische vezels worden geproduceerd doormiddel van een chemisch proces en een chemisch recept. Voorbeelden: polyester, polyamide, acryl.

De productie van garen:

De meeste natuurvezels zijn relatief kort. Om van deze korte vezels garen te maken worden de vezels samengedraaid door ze te spinnen. Zijde en de meeste synthetische vezels zijn lange doorlopende vezels. Om van deze vezels garen te maken worden ze gewikkeld. Denk daarbij aan het afwikkelen van een zijdecocon. Synthetische vezels worden gemaakt doormiddel van een extrusie.
Aan het einde van het spin of wikkelproces heeft met een enkel filament. Is sommige gevallen kan dit worden gebruikt als enkeldraads garen. Men kan diverse filamenten ook met elkaar twijnen. De filamenten worden dan om elkaar heen gedraaid. Het resultaat is kabelgaren.
Als een op meer draden om een kern van garen worden gewonden spreekt men van omwoelen. Op deze manier wordt gouddraad en pluche gemaakt.

Weven.

Van de garen kan men een textiel weven. Het principe van weven is het gelijkmatig en afwisselend kruisen van de schering (verticale draden) en inslag (horizontale draden). Dit kan volgens verschillende patronen gebeuren die men bindingen noemt. De soort binding bepaald het soort stof. Er zijn drie basisbindingen:

Linnenbinding:  Eenvoudig één op één weefsel van schering en inslag. Geen goede of slechte kant. Met deze binding kunnen ook patronen zoals een schotse ruit worden geweven. Word gebruikt voor zowel fijne en lichte weefsel als voor zwaar zeildoek
Keperbinding:  De inslaggarens gaan twee over de scheringdraden en één onder. Elke rij verloopt ten opzichte van de ander, waardoor de stof een diagonaal effect krijgt, zoals bij denim. Voor en achterzijde verschillen.
Satijnbinding: De inslag gaat over meerdere scheringdraden heen en één scheringdraad onder. Stoffen met een satijnbinding hebben een glanzende en een matte zijde.

Voorbeeld van een keperbinding in het NSM: Trekzeel.
Voorbeeld van een linnenbinding in het NSM: Vlag NPRC.

Linnenbinding

Linnenbinding

Keperbinding

Keperbinding

Satijnbinding

Satijnbinding

Breien.

Gebreide stoffen bestaan zijn rekbaar, flexibel en comfortabel. Ze bestaan uit lussen van draad die doormiddel van steken samengevoegd worden. Er zijn 2 hoofdsoorten van breisels:

Inslagbreisels: De steken zijn gemaakt van één doorlopend garen. De stof kan twee kanten op rekken. Een breuk in het garen kan het hele stuk textiel doen ontrafelen.
Kettingbreisels: Een breisel dat bestaat uit meerdere garens. Kettingbreisels zijn minder rekbaar dan inslagbreisels, ze lopen minder snel uit en zijn sterker.

Voorbeeld van een inslagbreisel in het NSM: Wollen sokken van een duiker.

Inslagbreisel

Inslagbreisel

Kettingbreisel

Kettingbreisel

Gemengdlijnige stoffen en niet geweven stoffen

Denk bij gemengdlijnige stoffen aan het knopen van netten en het klossen van kant. De inslaggarens worden rond een kettingaren geknoopt of gewonden zodat er dat er een zeskantige steek ontstaat.  Als men aan dit proces een derde draad toevoegt kan men patronen gaan vormen zoals bij kant.

Niet geweven stoffen worden gevormd door het samenklitten van natuurlijke of synthetische vezels.   De bekendste niet geweven stof is vilt.

Gevoeligheden van textiel.

Een goed overzicht van de meest voorkomende schadefactoren bij textiel en wat men kan doen ter preventie van deze schade, kan men vinden in de ADVICE SHEET Caring for textile collections in museums van de Museums Galleries Scotland.

Textiel en straling:  De meeste soorten textiel zijn uitermate gevoelig voor schade door licht/straling. Lichtschade maakt de textielvezels minder flexibel en broos, waardoor het textiel snel breekt of scheurt. Licht kan ook leiden tot de verkleuring van textiel. Om schade te voorkomen moet textiel zoveel mogelijk buiten direct daglicht gehouden worden.  Houd de lichtintensiteit indien mogelijk onder de 50 Lux.

Textiel en water: Textiel, natuurlijk textiel in het bijzonder, trekt water aan. Afhankelijk van de soort vezels en de luchtvochtigheid kunnen vezels zwellen en krimpen. Oud textiel kan deze stress minder goed hebben waardoor het op ten duur uit elkaar valt. Veel textiel is geverfd of  met stijfsel of andere toevoegingen bewerkt. Water kan deze pigmenten en middelen wegwassen of in beweging krijgen. Hierdoor ontstaan verkleuringen en kringen. Als het water vuil, zeep of zure chemicaliën bevat en deze in het textiel achterblijven als het water verdampt, kan dit vlekken, verkleuringen, broze plekken en zelfs gaten veroorzaken. Om waterschade te voorkomen mag textiel niet gewassen worden.  Bewaar het textiel in ruimtes met een stabiele luchtvochtigheid tussen de 45% en 65% RV. Houd textiel uit de buurt van vochtige muren en ramen (vanwege condensatievocht).

Textiel en Schimmel: Op vochtig textiel dat in een te warme omgeving bewaard word kan schimmel groeien. Schimmels kunnen natuurlijk textiel verteren en kunnen op alle soorten textiel voor lelijke vlekken zorgen. Voorkom schimmel door het textiel te bewaren bij een RV onder de 65% en een temperatuur van onder de 18 graden celcius.

Textiel en ongedierte: Met name textiel gemaakt van dierlijke vezels is gevoelig door schade door vraat door motten en tapijtkevertjes. Deze insecten vreten gaten in het textiel of grazen het af. Ze laten frass en poppen achter. Voorkom schade door insecten door het textiel regelmatig te controleren. Zet ook lokvallen uit voor insecten. Vind men aangetast textiel en/of levende insecten? Isoleer dan het stuk textiel (dek het geïnfecteerde voorwerp goed af voor dat je het verplaatst, anders verspreid je de insecten door de ruimte). Bevriezing van het voorwerp dood de insecten. Zorg er ook voor dat de ruimte waar het textiel bewaard word goed afgesloten is zodat insecten niet van buiten naar binnen kunnen komen.

Textiel en chemische schade: Oorzaken: 1. het textiel is behandelt met een pigment of ander middel dat initieel gebruikt is om het textiel te verbeteren, maar wat in de loop der jaren door een chemische reactie de stof aantast. Dit kan het textiel doen verkleuren en/of broos maken. 2. Onderdelen van een schadelijk materiaal. Een ijzerhoudende knoop kan gaan roesten, wat voor vlekken en gaten in het textiel kan zorgen. 3. Textiel word bewaard in zuurhoudende materialen. De zuren maken het textiel broos en kunnen een geelbruine verkleuring veroorzaken. Bewaar textiel indien mogelijk in het donker  en onder een stabiele RV (45% tot 65%) om chemische schade te voorkomen. Licht en vocht kunnen bepaalde chemische reacties versnellen. Gebruik voor de verpakking zuurvrij papier en karton. Verpak schadelijke onderdelen indienmogelijk apart om met een buffer van zuurvrij papier er om heen.  Als men gebruikt maakt van ongebleekt katoen voor de verpakking zorg er dan voor dat dit door de kookwas is gegaan om schadelijke zeepresten en dergelijke te verwijderen.

Textiel en vervuiling (stof): Stof dat op textiel terechtkomt kan zich uiteindelijk tussen de vezels settelen. Het zorgt voor verkleuring en vervorming. Door wrijving kan het stof de vezels van het textiel aantasten. Stof kan ook een bron van voedsel zijn voor insecten en zelfs schimmels. Beperk schade door stof door textiel te verpakken in luchtdoorlatende maar afsluitbare dozen of omslagen. Was textiel niet IVM waterschade, maar reinig het met een stofzuiger op een lage stand (stofzuiger mond afgedekt met bv een panty om te voorkomen dat men losse onderdelen opzuigt).

Textiel en fysische schade (sluitage, breuk, onzorgvuldig handelen): De meeste schade aan textiel word veroorzaakt door onzorgvuldig handelen. Textiel dat al verzwakt is door chemische- of stralingsschade zal op deze momenten snel scheuren en breken. Draag en verplaats textiel daarom niet zonder ondersteuning en handel zorgvuldig. Meer over de juiste manier van het omgaan met textiel kan men vinden in de Illustrated Guide to the care of costume and textile collections van de Scottisch Museums Council.

 

16 september. Papier. De Middelste Molen en Coda

Voor onze les over papier maakten we op 16 september een dubbele excursie de papierfabriek “De Middelste Molen” en naar het Coda (Cultuur onder Dak Apeldoorn). De papiermolen in Loenen is de enige werkende papierfabriek die nog op waterkracht kan worden aangedreven. Bij een latere modernisering werd er ook een stoommachine geïnstalleerd. Tot 1960 werd “de Middelste Molen”nog gebruikt voor de commerciële productie van papier. Tegenwoordig heeft de molen een museale functie en produceren vrijwilligers verschillende soorten papier.

Papiermolen "De Middelste Molen" in Loenen

Papiermolen “De Middelste Molen” in Loenen

Papier bestaat uit de fijngestampte of gesneden vezels van grondstoffen zoals hout, lompen, riet of oud papier. Deze vezels worden vermengt met water tot een soort dunne soep. Bij een ‘goede soep’ zijn de vezels zo kort dat men ze niet meer met de hand kan grijpen. Met een raamwerk met een bodem van fijn gaas van textiel of koperdraad word vanonder uit de papierkuip het papier geschept. De papierschepper schud de vorm om de vezels gelijkmatig de verdelen. Het laagje natte papier word afgekoetst op een laag vilt. Verschillende lagen vilt en papier worden gestapeld en vervolgens word in een pers het restwater uit het papier geperst. De vellen papier worden van het vilt afgenomen en opgehangen om ze te drogen. Het papier werd vaak nabehandeld met een bad van beenderlijm opgelost in water met aluin. Door deze afwerklaag word het papier goed beschrijfbaar.

In het onderstaande filmpje wordt het proces van papiermaken in het kort uitgelegt.

Bij machinaal papier word de papierpulp niet geschept maar op een lopende band van zeefdoek gespoten. Het restwater word uit het papier geperst met een pers waarvan de rollen met vilt zijn bekleed. Het drogen gebeurt met behulp van verhitte cilinders. Om het papier gladder te maken kan het daarna tussen twee walsen ‘gekalanderd’ worden. Machinaal papier heeft een looprichting.

Door de beweging van de lopende band van de zeef gaan de vezels in één richting lopen. Wanneer de vezels in de lengte van een vel lopen spreken we van langlopend papier, liggen de vezels in de richting van de korte kant van het papier dan spreekt men van breedlopend papier.

 

Middags bezoeken we het CODA in Apeldoorn. Het CODA is een bibliotheek, archief en museum onder een dak. Dit is het museum waar onze collega Tamar werkt. Zij leidde ons dan ook rond door het museum, de bibliotheek en de depots. Omdat het Coda dus naast een museum ook een bibliotheek en archief zijn, hebben ze een ruime collectie papier en papieren voorwerpen. Tamar laat ons wat papieren ‘kunstboeken’. Kunstboeken in deze zin zijn boeken, vaak uitgegeven in eigen beheer door schrijvers, dichters of beeldend kunstenaars, waarvan de fysieke vorm vaak net zo belangrijk van is als de inhoud. Ook laat ze ons wat papieren juwelen zien.

Tamar laat enkele kunstboeken zien

Tamar laat enkele kunstboeken zien

Papier analyseren

Papier analyseren

 

 

 

 

 

 

Vervolgens krijgen wij verschillende papieren voorwerpen onder handen (boeken, etsen, architectonische kaarten enz.) om onze analyses te oefen. Kunnen wij het soort en de kwaliteit van het papier herkennen? Welke drukvormen zijn toegepast? Welke schade heeft het papier geleden en hoe is deze schade ontstaan?

Jaap brengt ons nog het een en ander bij over papier ( en hier steun in op de notities van mijn collega Tony Jonges).

– Een kilo papier bevat gemiddeld zo’n 100 gram water (een kubieke meter lucht daarentegen slechts 10 gram)
– Vanaf de 19e eeuw wordt veel papier van hout gemaakt (i.p.v. lompen). Van fijngemalen hout wordt een pap gekookt ; na toevoeging van enkele chemicaliën om de lignine (houtstof) tussen de celwanden op te lossen, ontstaat een brij  die voornamelijk uit cellulose bestaat. Na bleking blijft er een witte pulp over (celstof) waarvan papier kan worden vervaardigd. De celstof wordt doorgaans in balen geperst die later in een papierfabriek worden opgelost om papierbrij te maken.
– Modern papier bestaat zelden alleen uit vezels; om het beter beschrijfbaar te maken worden er wel tot 25% hulpstoffen (zoals krijt of kaolien) aan toegevoegd. Verder krijgt het papier vaak een coating.
– Door de cellulose is papier zurig. In contact met lucht of water worden de vezelketens afgebroken en verdubbelt het aantal ‘kopse kanten’ van de vezels, waar hetjuist het zuur vrijkomt. Temperatuur, zuurstof, vocht en licht (of andere straling) versnellen dit proces van verval.
– ‘Zuurvrij papier’ of alkalisch papier bevat net zo veel zuur als gewoon papier…… Echter door de kalkbuffertjes tussen de vezelstrengen die het zuur absorberen ademt dit papier geen zuur uit en blijven de vezelketens langer intact. Het heeft dus een langere levensduur dan gewoon papier.
– Ook houtvrij papier is een misleidende term: het papier heeft wel degelijk hout als grondstof, maar de celstof is zo behandeld en gebleekt is dat er nog weinig lignine (houtstof) aanwezig is.

9 september. Start Module 3 Organische materialen. Hout.

Op 2 septemeber 2014 starte het tweede jaar van de opleiding collectiebeheer. Ik was er de eerste dag helaas niet bij. Ik was nog op vakantie in Edinburgh. Hierover heb ik in een eerdere blogpost over geschreven.

Vanaf 9 september was ik er weer bij. Het was leuk om iedereen weer te zien. Wel een vreemd  gevoel om aan je tweede jaar te beginnen terwijl het eerste jaar slecht een half jaar geleden begonnen was.

Module 3 van de opleiding gaat over organische materialen. Organische materialen zijn alle materialen die koolstof bevatten. Ze hebben een plantaardige of dierlijke oorsprong.  De meeste organische materialen zijn hygroscopisch, dat wil zeggen dat ze dimensionaal vochtgevoelig zijn. Ze zetten uit en krimpen naarmate de vochtigheid hoger of lager is. Dit is voor collectiebeheerders een belangerijke eigenschap om rekening mee te houden. Het kan namelijk grote gevolgen hebben voor de manier waarop we organische materialen bewaren.

De meeste dierlijke organische materialen zoals bot, haar, spierweefsel en vellen bevatten veel eiwitten. Insecten zoals motten en tapijt- en museum-kevers leven van deze eiwitten.  Een groot deel van de plantaardige materialen, zoals hout en papier (wat van hout gemaakt wordt), bevatten cellulose. Insecten en insectenlarven zoals het zilvervisje, boktor en houtworm gebruiken dit als voedselbron. Kortom: organische materialen zijn extra gevoelig voor schade door pestdieren.

Na de introductie stonden onze eerste twee lessen van dit jaar in het teken van hout.

Hout.

Eigenschappen.

De werking van hout

Hout is een natuurlijk en plantaardig materiaal dat sterk is en licht is van gewicht. In vergelijking met materialen van een vergelijkbare sterkte zoals steen en metaal, is hout ook zacht en makkelijk te bewerken. Hout bestaat er in vele verschillende soorten die elk hun eigen mechanische eigenschappen, dichtheid, duurzaamheid en esthetische kwaliteiten hebben. Hout is ook een hernieuwbare grondstof (zolang er sprake is van verantwoordelijk bosbeheer) en relatief goedkoop. Hout kan hierdoor op vele verschillende manieren worden toegepast. Het is een veelgebruikt materiaal in de bouw, waar het wordt gebruikt voor vloeren, trappen en ook voor dragende constructies. Daarnaast komen we als collectiebeheerder hout natuurlijk veelvuldig tegen in de vorm van meubels, houtsnijwerk en kleine gebruiksvoorwerpen. Hout is gevoelig voor aantasting door schimmels en insecten. Hout neem vocht op maar staat het in een droge omgeving ook weer af. Hierdoor kan hout werken en vervormen (krom of scheluw staan)en zelfs splijten.

Biologie:

Hout is een organisch en natuurlijk composiet materiaal, of in het Engels a cellular polymeric composite. Chemisch gezien bestaat hout voornamelijk uit drie polymeren.

Cellulose (50%) – Komt voor in alle planten en de bron van de vezelstructuur die hout zijn stevigheid geeft. Hemicellulose (25%) – Hemicellulose kant vocht opnemen en opzwellen en is daarmee verantwoordelijk voor de hygroscopische werking van hout. Lignine (25%) – Bindmiddel tussen de vezels van hout en verstijvingsmiddel binnen de vezels. Lignine is een thermoplastische polymeer en is de reden waarom hout door stomen in een oven vervormd kan worden.

Cellen:

Elke soort hout heeft een karakteristieke weefselordening en omvang en vorm van de cellen. De meeste houtcellen langwerpig en zijn in de lengte georiënteerd. Daarom is hout anisotropisch, dat wil zeggen dat de eigenschappen (sterkte, buigzaamheid, splijting) van hout in de lengterichting anders zijn dan in de dwarsrichting.

Naast de lengte cellen heeft elke houtsoort ook een kleinere hoeveelheid straalcellen. Deze cellen stralen van het centrum van de stam uit naar buiten en staan dwars op de lengte cellen. Hout bestaat voor minder dan 10 procent uit straalcellen. De straalcellen zijn echter aanwezig in elke soort en kunnen van grote invloed zijn op de specifieke eigenschappen van het soort hout.

Naast deze vezels kan men ook vaatweefsel tegenkomen (het weefsel waardoor het sap van bladeren naar wortelen wordt getransporteerd) en reservecellen, het zogenaamde houtparenchym.

Onderscheid hardhout en zachthout (loof- en naaldbomen)

Hout word vaak in twee hoofdcategorieën onderverdeelt, hardhout en zachthout. In de regel is hardhout afkomstig van loofbomen en zachthout van naaldbomen.

Naaldbomen zijn groenblijvende bomen die snel groeien(60 tot 80 jaar) . Naaldhout word hoofdzakelijk gebruikt in de bouw en voor draagconstructies. Loofbomen zijn bladverliezende bomen die langzaam groeien(120 tot 200 jaar). Ze worden voornamelijk gebruikt voor het maken van meubelen.

Bomen groeien van binnen naar buiten en krijgen er elk jaar een laag bij. Bij bomen die groeien in klimaten met duidelijke seizoenen is er een duidelijk verschil zicht baar tussen lente- en herfsthout waardoor zij duidelijke jaarringen hebben. Alleen hout dat volwassenheid heeft bereikt, zoals hart- of kernhout is echt geschikt voor verwerking. Spinthout is verzadigt met voedingsstoffen, het is daardoor gevoelig voor parasieten en vergaat snel. Spinthout word over het algemeen niet verwerkt maar bij sommige meubelen zijn niet zichtbare gedeelten (achterkant van een kast) soms wel gemaakt van het goedkopere spinthout. Deze plekken worden daardoor vaker aangetast door bv houtworm.

Doorsnee van een boom.

Doorsnee van een boom.

Zagen:

Niet de gehele boom is bruikbaar voor timmerhout. In de meeste gevallen wordt alleen de stam gebruikt om planken van te zagen. Bij sommige soorten kunnen de stronk en het gevorkte deel van de stam (2de stam, gaffel)echter esthetisch profiel opleveren. Dit hout kan bv gebruikt worden voor fineer werk. De meest economische en daardoor populairste methodes van houtzagen zijn vlakzagen en dosse- of blokzagen. Dit is een tangentiële manier van zagen. In dit soort planken zijn de ‘vlammen’ van het hout goed te zien. De kwaliteit van het op deze manier gezaagde hout is onregelmatig en gevoelig voor krullen, rondbuigen of kromtrekken. Men kan ook op de radiale doorsnede zagen (dwars op de stam ipv langs de stam). Dit kan in de vorm van rift of kwartierzagen gebeuren. Men krijgt dan een sterker en meer uniform hout dat minder gevoelig is voor vervorming door krimp.

Dosse en kwartier zagen

Dosse en kwartier zagen

Krimp of werking van hout:

Hout kan vocht aantrekken en daardoor opzwellen. Als de omgeving droger wordt verdampt het vocht ook weer uit het hout. Hout werkt of ‘krimpt’ daardoor voortdurend. Omdat hout in de lengterichting van de nerf anders reageert dan op de dwarsrichting kunnen planken afhankelijk van de manier waarop ze gezaagd zijn en van eventuele gebreken in hout krullen, rondbuigen, scheluwtrekken of scheuren. Soms kan er ook abnormale krimp of zwelling plaatsvinden. Vooral reactiehout, hout dat is gevormd om langdurige druk- of trekkrachten te weerstaan, kan afwijkend gedrag vertonen bij het krimpen en zwellen.

De werking van hout