Textiel

Textiel is eigenlijk geen materiaal, maar een composiet dat is opgebouwd uit vezels van plantaardige, dierlijke, natuurlijke of synthetische oorsprong. De processen die de grondstof heeft ondergaan om tot textiel te worden zijn dan ook van grote invloed op de eigenschappen van het uiteindelijke textiel. Echter ook de oorspronkelijke grondstof/vezel brengt zijn eigen eigenschappen mee.

Textielvezels:                                                       

Elk textiel bestaat uit vezels. De twee hoofdgroepen van vezels zijn natuurlijke vezels  en synthetische vezels.

De natuurlijke vezels zijn weer op te delen in drie categorieën:

Plantaardige vezels, deze bestaan uit cellulose. Katoen, vlas, hennep en kapok.
Dierlijke vezels, deze bestaan uit keratine. Wol, zijde.
Minerale vezels, bijvoorbeeld asbest, glas en basalt.

Voorbeeld van dierlijke vezels in het NSM: Wollen sokken van een duiker.
Voorbeeld van natuurlijke vezels in het NSM: Allemansend gemaakt van manillatouw.

Wol

Wol

Vlasvezels waar men linnen  van maakt.

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

De synthetische vezels zijn op te delen in twee categorieën:

Half-synthetische vezels,  dit zijn bewerkte plantaardige, minerale of dierlijke materialen. Viscose/rayon wordt bestaat bv uit cellulose met chemische toevoegingen, acetaat is een ester van azijnzuur en rubber ondergaat een chemisch proces dat vulkaniseren wordt genoemd.
Synthetische vezels, vol synthetische vezels worden geproduceerd doormiddel van een chemisch proces en een chemisch recept. Voorbeelden: polyester, polyamide, acryl.

De productie van garen:

De meeste natuurvezels zijn relatief kort. Om van deze korte vezels garen te maken worden de vezels samengedraaid door ze te spinnen. Zijde en de meeste synthetische vezels zijn lange doorlopende vezels. Om van deze vezels garen te maken worden ze gewikkeld. Denk daarbij aan het afwikkelen van een zijdecocon. Synthetische vezels worden gemaakt doormiddel van een extrusie.
Aan het einde van het spin of wikkelproces heeft met een enkel filament. Is sommige gevallen kan dit worden gebruikt als enkeldraads garen. Men kan diverse filamenten ook met elkaar twijnen. De filamenten worden dan om elkaar heen gedraaid. Het resultaat is kabelgaren.
Als een op meer draden om een kern van garen worden gewonden spreekt men van omwoelen. Op deze manier wordt gouddraad en pluche gemaakt.

 

Weven.

Van de garen kan men een textiel weven. Het principe van weven is het gelijkmatig en afwisselend kruisen van de schering (verticale draden) en inslag (horizontale draden). Dit kan volgens verschillende patronen gebeuren die men bindingen noemt. De soort binding bepaald het soort stof. Er zijn drie basisbindingen:

Linnenbinding:  Eenvoudig één op één weefsel van schering en inslag. Geen goede of slechte kant. Met deze binding kunnen ook patronen zoals een schotse ruit worden geweven. Word gebruikt voor zowel fijne en lichte weefsel als voor zwaar zeildoek
Keperbinding:  De inslaggarens gaan twee over de scheringdraden en één onder. Elke rij verloopt ten opzichte van de ander, waardoor de stof een diagonaal effect krijgt, zoals bij denim. Voor en achterzijde verschillen.
Satijnbinding: De inslag gaat over meerdere scheringdraden heen en één scheringdraad onder. Stoffen met een satijnbinding hebben een glanzende en een matte zijde.

Voorbeeld van een keperbinding in het NSM: Trekzeel.
Voorbeeld van een linnenbinding in het NSM: Vlag NPRC.

Linnenbinding

Linnenbinding

Keperbinding

Keperbinding

Satijnbinding

Satijnbinding

 

 

 

 

Breien.

Gebreide stoffen bestaan zijn rekbaar, flexibel en comfortabel. Ze bestaan uit lussen van draad die doormiddel van steken samengevoegd worden. Er zijn 2 hoofdsoorten van breisels:

Inslagbreisels: De steken zijn gemaakt van één doorlopend garen. De stof kan twee kanten op rekken. Een breuk in het garen kan het hele stuk textiel doen ontrafelen.
Kettingbreisels: Een breisel dat bestaat uit meerdere garens. Kettingbreisels zijn minder rekbaar dan inslagbreisels, ze lopen minder snel uit en zijn sterker.

Voorbeeld van een inslagbreisel in het NSM: Wollen sokken van een duiker.

Inslagbreisel

Inslagbreisel

Kettingbreisel

Kettingbreisel

Gemengdlijnige stoffen en niet geweven stoffen

Denk bij gemengdlijnige stoffen aan het knopen van netten en het klossen van kant. De inslaggarens worden rond een kettingaren geknoopt of gewonden zodat er dat er een zeskantige steek ontstaat.  Als men aan dit proces een derde draad toevoegt kan men patronen gaan vormen zoals bij kant.

Niet geweven stoffen worden gevormd door het samenklitten van natuurlijke of synthetische vezels.   De bekendste niet geweven stof is vilt.

 

Gevoeligheden van textiel.

Een goed overzicht van de meest voorkomende schadefactoren bij textiel en wat men kan doen ter preventie van deze schade, kan men vinden in de ADVICE SHEET Caring for textile collections in museums van de Museums Galleries Scotland.

Textiel en straling:  De meeste soorten textiel zijn uitermate gevoelig voor schade door licht/straling. Lichtschade maakt de textielvezels minder flexibel en broos, waardoor het textiel snel breekt of scheurt. Licht kan ook leiden tot de verkleuring van textiel. Om schade te voorkomen moet textiel zoveel mogelijk buiten direct daglicht gehouden worden.  Houd de lichtintensiteit indien mogelijk onder de 50 Lux.

Textiel en water: Textiel, natuurlijk textiel in het bijzonder, trekt water aan. Afhankelijk van de soort vezels en de luchtvochtigheid kunnen vezels zwellen en krimpen. Oud textiel kan deze stress minder goed hebben waardoor het op ten duur uit elkaar valt. Veel textiel is geverfd of  met stijfsel of andere toevoegingen bewerkt. Water kan deze pigmenten en middelen wegwassen of in beweging krijgen. Hierdoor ontstaan verkleuringen en kringen. Als het water vuil, zeep of zure chemicaliën bevat en deze in het textiel achterblijven als het water verdampt, kan dit vlekken, verkleuringen, broze plekken en zelfs gaten veroorzaken. Om waterschade te voorkomen mag textiel niet gewassen worden.  Bewaar het textiel in ruimtes met een stabiele luchtvochtigheid tussen de 45% en 65% RV. Houd textiel uit de buurt van vochtige muren en ramen (vanwege condensatievocht).

Textiel en Schimmel: Op vochtig textiel dat in een te warme omgeving bewaard word kan schimmel groeien. Schimmels kunnen natuurlijk textiel verteren en kunnen op alle soorten textiel voor lelijke vlekken zorgen. Voorkom schimmel door het textiel te bewaren bij een RV onder de 65% en een temperatuur van onder de 18 graden celcius.

Textiel en ongedierte: Met name textiel gemaakt van dierlijke vezels is gevoelig door schade door vraat door motten en tapijtkevertjes. Deze insecten vreten gaten in het textiel of grazen het af. Ze laten frass en poppen achter. Voorkom schade door insecten door het textiel regelmatig te controleren. Zet ook lokvallen uit voor insecten. Vind men aangetast textiel en/of levende insecten? Isoleer dan het stuk textiel (dek het geïnfecteerde voorwerp goed af voor dat je het verplaatst, anders verspreid je de insecten door de ruimte). Bevriezing van het voorwerp dood de insecten. Zorg er ook voor dat de ruimte waar het textiel bewaard word goed afgesloten is zodat insecten niet van buiten naar binnen kunnen komen.

Textiel en chemische schade: Oorzaken: 1. het textiel is behandelt met een pigment of ander middel dat initieel gebruikt is om het textiel te verbeteren, maar wat in de loop der jaren door een chemische reactie de stof aantast. Dit kan het textiel doen verkleuren en/of broos maken. 2. Onderdelen van een schadelijk materiaal. Een ijzerhoudende knoop kan gaan roesten, wat voor vlekken en gaten in het textiel kan zorgen. 3. Textiel word bewaard in zuurhoudende materialen. De zuren maken het textiel broos en kunnen een geelbruine verkleuring veroorzaken. Bewaar textiel indien mogelijk in het donker  en onder een stabiele RV (45% tot 65%) om chemische schade te voorkomen. Licht en vocht kunnen bepaalde chemische reacties versnellen. Gebruik voor de verpakking zuurvrij papier en karton. Verpak schadelijke onderdelen indienmogelijk apart om met een buffer van zuurvrij papier er om heen.  Als men gebruikt maakt van ongebleekt katoen voor de verpakking zorg er dan voor dat dit door de kookwas is gegaan om schadelijke zeepresten en dergelijke te verwijderen.

Textiel en vervuiling (stof): Stof dat op textiel terechtkomt kan zich uiteindelijk tussen de vezels settelen. Het zorgt voor verkleuring en vervorming. Door wrijving kan het stof de vezels van het textiel aantasten. Stof kan ook een bron van voedsel zijn voor insecten en zelfs schimmels. Beperk schade door stof door textiel te verpakken in luchtdoorlatende maar afsluitbare dozen of omslagen. Was textiel niet IVM waterschade, maar reinig het met een stofzuiger op een lage stand (stofzuiger mond afgedekt met bv een panty om te voorkomen dat men losse onderdelen opzuigt).

Textiel en fysische schade (sluitage, breuk, onzorgvuldig handelen): De meeste schade aan textiel word veroorzaakt door onzorgvuldig handelen. Textiel dat al verzwakt is door chemische- of stralingsschade zal op deze momenten snel scheuren en breken. Draag en verplaats textiel daarom niet zonder ondersteuning en handel zorgvuldig. Meer over de juiste manier van het omgaan met textiel kan men vinden in de Illustrated Guide to the care of costume and textile collections van de Scottisch Museums Council.

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s