De post over schade. Een kijkje achter de schermen bij Helicon.

imagesCA78SM3T

Afgelopen dinsdag zijn we begonnen met Module 2 van de opleiding Collectiebeheer. Deze module zal gaan over het leren herkennen en verklaren van schade aan museale voorwerpen. We begonnen gelijk goed met een excursie naar Helicon Conservation Support BV in Zoeterwoude.( http://www.helicon-cs.com/ ) Helicon is een bedrijf dat zich specialiseert in preventieve conservering. Preventieve conservering betekend: alle maatregelen en voorwaarden die gericht zijn op het optimaliseren van de omgevingsomstandigheden, bewaring en het gebruik van een voorwerp. Jaap van der Burg, oprichter van Helicon en ook onze docent, heeft deze definitie nog verder verfijnt voor ons. Volgens hem is preventieve conservering ook het voorkomen van veranderingen aan het voorwerp die het gevoelig(er) maakt voor invloeden van buitenaf om (verdere) aftakeling te voorkomen.

Papier gefabriceert tussen 1850 en 1950 is erg gevoelig voor verzuring. Zuren tasten de celulose in het papier aan, waardoor het papier geel word en makelijk verbrokkeld. Foto afkomstig uit de "Schadeatlas Archieven".

Papier gefabriceert tussen 1850 en 1950 is erg gevoelig voor verzuring. Zuren tasten de celulose in het papier aan, waardoor het papier geel word en makelijk verbrokkeld. Foto afkomstig uit de “Schadeatlas Archieven”.

De dag begon vroeg. Heel erg vroeg. Ik vertrok met de trein van 06:05 uit Groningen. Pas drie en half uur later was ik in Zoeterwoude. Gelukkig hadden ze een koffieautomaat bij Helicon, anders had mijn dag er heel anders uitgezien. We begonnen rustig aan met de bespreking van ons ‘huiswerk’. Ter voorbereiding op de excursie waren we op het internet en in onze musea op zoek gegaan naar schadeatlassen of damage-glossaries in het Engels. Een schadeatlas is een lijst met beschrijvingen en voorbeelden van soorten schade die men kan aantreffen op een categorie van voorwerpen of materialen. Het is een hulpmiddel bij het maken van een schade inventarisatie. Mooie voorbeelden van schadeatlassen zijn de ‘Schadeatlas Archieven. Hulpmiddel bij het uitvoeren van een schade-inventarisatie’. https://www.historischcentrumoverijssel.nl/files/schadeatlas_archieven_hulpmiddel_bij_uitvoeren_schadeinventarisatie_herdruk_2009_0.pdf en ´Rust never sleeps. Recognizing Metals and their corrosion products’ http://www.depotwijzer.be/sites/default/files/files/rust_never_sleeps.pdf .

 

De schades die we onder de post overig hadden geplakt. Foto: Marco Cornelisse

De schades die we onder de post overig hadden geplakt. Foto: Marco Cornelisse

Na deze bespreking begonnen we met onze eerste opdracht van de dag. We moesten elk tien oorzaken van schade bedenken en deze op post-its schrijven. Vervolgens moesten uit onze eigen tien voorbeelden vijf oorzaken kiezen die wij het belangrijkst of meest actueel vonden. Wat daarbij opviel was dat de keuze voor de vijf belangrijkste oorzaken door ons studenten op drie verschillende manieren werd gemaakt. Ik en een aantal collega’s kozen voor welke schade wij in ons eigen museum het meeste tegenkwamen. Anderen kozen de oorzaken die de meeste en grootste schade veroorzaken en één bijdehante studiegenoot selecteerde de oorzaken die het makkelijkst te voorkomen of te verhelpen zijn. Als laatste stap van de opdracht moesten wij onze vijf oorzaken plakken onder een van de volgende acht categorieën: vocht, temperatuur, biologische aantasters, mechanische krachten, straling (licht), inrichting, collectie en overig. De meeste post-its kwamen terecht onder de categorieën vocht, mechanische krachten en biologische aantasters.

Hanna Hakvoort en ik in de depotbox/kamer. Foto: Marc Cornelisse

Hanna Hakvoort en ik in de depotbox/kamer. Foto: Marc Cornelisse

Vervolgens kregen we een hoognodig moment om een nieuwe dosis cafeïne tot ons te nemen. We hadden dus pauze. Na een half uurtje de zon te hebben aanbeden en sloten van koffie en thee te hebben gedronken, konden we weer fris en fruitig aan de slag. We mochten een kijkje achter de schermen nemen bij Helicon. Onze medestudent en werknemer bij Helicon, Gijs Sterk, gaf ons een rondleiding door het gebouw. We mochten onder andere een kijkje nemen in een van de depotboxen/kamers waarin Helicon de collecties onderbrengt die zij (tijdelijk) beheren en inventariseren voor hun cliënten. Toen we de box inliepen kwam de brandlucht ons al tegemoet. Er stond een kunstcollectie die afkomstig is uit een huis waar brand was uitgebroken. Op verzoek van de verzekering maakt Helicon een inventarisatie van brand, rook en roetschade aan de voorwerpen.

kromgetrokken kaft van het facturenboek.

kromgetrokken kaft van het facturenboek.

Hanna en ik doen een schadeanalyse van een facturenboek. Foto: Marco Cornelisse

Hanna en ik doen een schadeanalyse van een facturenboek. Foto: Marco Cornelisse

Na de rondleiding moesten we zelf aan de slag! We kregen in groepjes van twee een voorwerp toegewezen waar we de schade van moesten beschrijven. Hanna en ik kregen een oud facturenboek toegewezen. Met zijn tweeën konden we flink wat soorten van schade ontdekken aan dit ene boek. Zo was de kaft verkleurd/verbleekt door zonlicht, had het boek flink wat slijtageplekken door hantering, waren de bladzijden licht verzuurt, was het schutblad aangetast door foxing en schimmels, was de rug van het boek losgescheurd en was de kaft ook helemaal kromgetrokken door eerst vocht en daarna uitdroging.
Toen alle duo’s hun schade-analyse hadden gemaakt moest elk groepje haar bevindingen aan de rest van de groep presenteren. Dat is altijd een spannend moment, hadden we misschien schade gemist, of verkeerd verklaard? Maar goed, van fouten maken leert men en het viel gelukkig allemaal erg mee. Jaap van der Burg gaf bij iedere presentatie nog uitleg over eventueel gemiste schade, de mogelijke oorzaken en welke aanpassingen of opbergmethoden gebruikt konden worden om verdere schade aan de desbetreffende voorwerpen te voorkomen.

Jaap van den Burg en zijn discipelen. Uitleg bij onze schadeanalyses. Foto: Marco Cornelisse

Jaap van den Burg en zijn discipelen. Uitleg bij onze schadeanalyses. Foto: Marco Cornelisse

Na de presentaties was het tijd voor de middagpauze en lunch en daarna gaf Jaap nog een lezing over het maken van een risicoanalyse van een voorwerpen. Deze lezing was een voorproefje van de stof waar we gedurende de rest van de module nog verder op in zullen gaan. En ik moet zeggen, ik ben erg nieuwsgierig naar onze lessen van de komende weken. Het was een erg lange, leerzame, fascinerende en vermoeiende dag en ik kijk uit naar meer!

Advertisements

Religieus erfgoed, de Folkingestraat synagoge in Groningen.

GE DIGITAL CAMERA

De Folkingestraat Synagoge in Groningen.

Onze opdracht voor de carnavalsvakantie was een kort onderzoekje/bezoek over of aan religieus erfgoed. Maar wat is religieus erfgoed eigenlijk? De meest duidelijke omschrijving vond ik de volgende: “Religieus erfgoed is het geheel van cultuurgoederen, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, dat in een religieuze, godsdienstige of devotionele context tot stand kwam of werd verworven, hiernaar verwijst of hiermee in verband staat”. (http://www.religieuserfgoed-zh.nl/wat-is-religieus-erfgoed). Met deze definitie in het achterhoofd had ik natuurlijk in kunnen gaan op de uitnodiging van mijn zus om met haar in Oeteldonk (Den Bosch ) carnaval te gaan  vieren. Maar helaas werd ik ziek en heb ik ongeveer de hele vakantie toegewijd aan een miniwinterslaap op mijn bank thuis. Bovendien is carnaval misschien ook niet precies het religieus erfgoed wat zich het beste leent voor deze huiswerkopdracht. In plaats van Oeteldonk heb ik het daarom wat dichter bij huis gezocht en heb ik besloten om de synagoge in de Folkingestraat in Groningen te bezoeken. Deze synagoge is niet alleen materieel en onroerend goed dat in een religieuze context tot stand is gekomen, maar is ook een plek waar het joods immaterieel religieus en cultureel erfgoed nog springlevend is. Niet in zijn minst omdat het nog steeds een ‘werkend’ joods huis van gebed is, maar ook vanwege de samenwerking met de Stichting Folkingestraat Synagoge.

Tjeerd kuipers

De architect Tjeerd Kuipers. 1857-1942.

GE DIGITAL CAMERA

De trompe l’oeil glas in lood ramen op de vrouwengalerij

Eind 19de, begin 20ste eeuw was de Joodse bevolking in Groningen flink toegenomen tot bijna 3000 personen. De oude synagoge stamde uit 1756 en had slechts plaats voor 200 man en was daardoor veel te klein geworden.
Het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap besloot daarom tot de bouw van een nieuw, aantrekkelijk en groot gebouw in de Folkingestraat. Deze staat was toen de kern van de Groningse Joodse buurt. (http://www.focusgroningen.nl/groningen-centrum-de-joodse-folkingestraat/ ). De architect werd de gereformeerd-christelijke Tjeerd Kuipers, een architect met veel ervaring in het bouwen van kerkgebouwen. De synagoge werd gebouwd in een ‘Moorse’of oriëntaalse stijl. Dit gaf de synagoge een eigen, niet aan kerken verwant karakter en kan worden gezien als een uiting van de eigen, ‘oosterse’, identiteit van de Joodse gemeente. Het gebouw kenmerkt zich door lambriseringen van gekleurde tegels, opvallend glas in lood en het gebruik van hoefijzerbogen. Opvallend is het trompe l’oeil effect van de glas in lood ramen op de vrouwengalerijen, en in de voorgevel het enorme roosraam in de vorm van een davidster. In 1904 werd de eerste steen gelegd en in 1906 was het gebouw af.

Het ontwerp van de synagoge lijkt sterk op Kuipers ontwerpen voor kerken. Dat was echter geen probleem. Synagogen en calvinistische kerken hebben namelijk een functioneel en daardoor ook ruimtelijk een aspect gemeen. De zicht- en gehoorlijnen moeten gericht zijn naar het centrum van de liturgie. In zijn kerken plaatste hij het preekgestoelte in de nis in de kopwand. Bij de synagoge stond op deze plaats de ‘Ark’ waarin de Tora-rollen bewaard worden, vlak daarvoor was de Bima, het spreekgestoelte, geplaatst.

synagoge

Het interieur van de synagoge voor de oorlog.

GE DIGITAL CAMERA

De hoefijzerbogen op de vrouwengalerij werden na de oorlog dichtgemetseld.

In de tweede wereldoorlog gebruikte de Duitsers het pand om in beslag genomen radio’s en andere apparatuur in op te slaan. Hierdoor bleef het gebouw behouden. De Groningse Joodse gemeente had minder geluk, van de ooit bloeiende gemeente kwamen na de oorlog maar 120 man terug. Voor dit kleine groepje was de synagoge veel te groot. Allen al de stookkosten van het grote gebouw zouden voor een te grote financiële druk zorgen. Bovendien hingen er nu veel droevige herinneringen rond het gebouw. De Joodse gemeente zag in 1952 dan ook geen andere oplossing dan de synagoge te verkopen aan de kleding wasserij/ververij Astra. De vloer werd opgebroken om ruimte te maken voor verfkuipen en wasmachines. Dwars door de Davidster van glas in lood werden buizen gestoken om de dampen af te voeren. Boven op de vrouwengalerij vestigde zich het Apostolisch Genootschap. Dit kleine kerkgenootschap liet de moorse bogen dichtmetselen, verfde de wanden wit en aan de oostzijde van de synagoge werd van galerij tot galerij een betonnen vloer gestort. Hierdoor ontstond een nieuwe kerkruimte voor 350 gelovigen.

GE DIGITAL CAMERA

De Nieuw Apostolische Kerk op de voormalige vrouwengalerij van de synagoge

In 1973 was de wasserij failliet en het kerkgenootschap was al eerder vertrokken. De Synagoge kwam weer leeg te staan en niemand leek iets met het gebouw te willen doen. Het dreigde gesloopt te worden. De herdenkingscultuur in Nederland was sinds de oorlog echter verandert en ook in Groningen werd het joodse verleden opnieuw ontdekt. Zo ook de synagoge. Begin jaren 70 riep Lennie Wolgen-Salomons al om aandacht voor het gebouw. De Stichting Folkingestraat Synagoge werd opgericht. Maar pas toen rijksoverheid, de provincie en de gemeente tot een financiële overeenstemming waren gekomen en de joodse gemeente zich bereid toonde om terug te keren naar de synagoge, kon het gebouw worden aangekocht.

Het lekkende en verpauperde gebouw werd in 1980 en 1981 ingrijpend gerestaureerd. Alle latere ingrepen werden ongedaan gemaakt en de architectuur van het gebouw werd teruggebracht naar haar originele architectonische gedaante. Tijdens de restauratie dook een fragment van het originele hekwerk van de vrouwengalerij op, waardoor deze opnieuw gegoten en geïnstalleerd konden worden. De originele inrichting heeft men echter niet gerestaureerd.

GE DIGITAL CAMERA

De nieuwe kleinere gebedsruimte zoals die is ingericht bij de restauratie in 1981.

De joodse gemeente was veel te klein voor het oorspronkelijk aantal zitplaatsen.  In plaats daarvan werd op het einde van het ‘schip’ van het gebouw een modern hek geplaatst. De ruimte achter dit hek is met nieuw meubilair ingericht als joods gebedshuis en elke 2 weken wordt hier nog een dienst gegeven. De ruimte voor het hek word door de Stichting Folkingestraat Synagoge gebruikt als expositie- en concertruimte. Bij de exposities die worden georganiseerd probeert men vaak terug te grijpen op de (Gronings) Joodse connectie.

GE DIGITAL CAMERA

De expositieruimte

In 2009 werd de synagoge overgedragen aan de Stichting Oude Groninger Kerken (SOGK). (http://www.groningerkerken.nl/index.php?s=1 ). Deze stichting is gespecialiseerd in het onderhoud van gebouwen met een religieuze bestemming. Na deze overdracht kon er een bouwkundige inspectie plaatsvinden en bleek groot onderhoud noodzakelijk. Zo werd er metsel en voegwerk aan de voorgevel gerestaureerd (na 2 strenge winters dreigde hier tijdens de dooi stukken van af te brokkelen en op straat te vallen).Ook het grote roosvenster met de davidster werd opnieuw gerestaureerd. Enkele kunststoframen van de eerdere restauratie werden vervangen door echt glas.

GE DIGITAL CAMERA

Het roosraam met een Davidster in de voorgevel van de synagoge

In de nieuwe constructie huurt de Stichting Folkingestraat Synagoge het gebouw van de SOGK. Nu de SOGK verantwoordelijk is voor het groot onderhoud, kan de Stichting Folkingestraat Synagoge zich meer richten op de culturele exploitatie van het gebouw. De Joodse Gemeente Groningen is onderhuurder van de Stichting Folkingestraat Synagoge. Op de website van de SOGK staat dat voor de stichting functioneel en materieel hand in hand gaan. Kerken, en zo ook de Synagoge, zijn immers van oudsher plekken van ontmoeting. De samenwerking van de drie betrokken partijen zorgt ervoor dat de Synagoge ook nu nog een levendige ontmoetingsplek is.

GE DIGITAL CAMERA

De synagoge is ook nu nog een levendig joods gebedshuis, zoals deze, op de vrouwengalerij tentoongestelde foto’s van een trouwerij in de synagoge laten zien.

Het Grote Voorbeeld? Het depot van het Rijksmuseum.

Na veel andere opleidingen in Nederland en België te hebben bekeken, afstanden en kosten te hebben afgewogen heb ik mij dan toch ingeschreven voor de opleiding Collectie beheer aan het Hout en Meubileringscollege in Amsterdam. Hoewel ik de eerste paar lessen had gemist mocht ik gelukkig nog instromen. Ik viel gelijk met mijn neus in de boter. Op mijn eerste lesdag mocht ik mee op excursie naar het depot van het Rijksmuseum in Lelystad! Omdat het Rijksmuseum HET museum van Nederland is, zou het depot ook wel het best ingerichte en mooist gevulde depot van Nederland zijn dacht ik. Met veel enthousiasme begon ik aan de excursie.

Metalen voorwerpen worden allemaal verpakt in zuur- en weekmakersvrij plastic. Dit om oxidatie te voorkomen. De voorwerpen kunnen op deze manier ook zonder handschoenen aangeraakt worden.

In 2000 besloot het Kabinet dat het Rijksmuseum toe was aan een intensieve opknapbeurt. Om de collectie tijdens deze grootscheepse verbouwing een onderdak te bieden moest het museum opzoek naar een geschikte ruimte voor een tijdelijk depot.  Deze ruimte werd gevonden in de “Eurokluis” van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Albert Einsteinweg in Lelystad. In dit gebouw lagen tussen 1999 en 2002 miljarden aan euromunten opgeslagen. In 2003 was de overgang naar de Euro grotendeels volbracht en had de KNM een stuk minder ruimte nodig. Van de nieuw vrijgekomen loods kon het Rijksmuseum nu gebruik maken.  In september 2003 werd een tijdelijk depot opgestart.

Dat het Rijksmuseum het gebouw nu nog steeds deelt met de Koninklijke Nederlandse Munt was goed te merken bij onze aankomst. De bewaking is streng. We mochten bijvoorbeeld geen foto’s maken waarop mogelijk details van de beveiliging op staan en voordat we onze bezoekerspas kregen moest we eerst ons identificatiebewijs laten zien (tot grote schrik van de deelnemers die hun id niet mee hadden). Daarna moesten we wachten tot we werden opgehaald. Gelukkig kwam Dennis Kemper, collectiebeheerder voor het Rijksmuseum, ons snel ophalen.

Voor onze rondleiding kregen we van Dennis een uitleg over hoe het depot is ontstaan en hoe het bouwkundig in elkaar zit. In 2003 begon het Rijksmuseum met één loods in het gebouw. In de originele toestand kon deze loods echter niet voldoen aan de klimaateisen van een museumdepot. Daarom werd in deze loods als het ware een tweede loods gebouwd met daarin een goede klimaatbeheersing en een ‘hangende’ vloer om een tweede verdieping te creëren.  Een paar jaar later heeft het museum ook een tweede loods in gebruik genomen. Deze loods is echter minder goed geïsoleerd. Dat de opbouw en inrichting van de loodsen gevolgen heeft voor de manier waarop de collectie is opgeslagen merkten we al snel tijdens onze rondleiding.

Omdat de ‘nieuwe’ loods minder goed geïsoleerd is, worden hier voorwerpen bewaart die minder gevoelig zijn voor klimaatschommelingen of die van minder grote museale waarde zijn. Tijdens onze rondleiding zagen wij veel voorwerpen die waren opgeslagen in transportkisten. Daarnaast viel de verzameling van museummeubilair dat door Pierre Cuypers voor het museum was ontworpen op (voornamelijk meubelstukken die later naar zijn ontwerpen zijn nagebouwd).  Een gedeelte van de voorwerpen was afgedekt met stofhoezen. Dennis vertelde dat dit niet alleen ter bescherming was tegen stof, maar ook tegen de jaarlijkse portie uitgedroogde vliegen. Deze komen als de temperaturen buiten dalen de loods binnen.

Telefoonfoto's 752

De aardewerk en porseleincollectie staat achter een gesloten hekwerk.

In de ‘nieuwe’ loods zorgt de hangende vloer van de bovenverdieping voor een aantal uitdagingen. Dennis legde uit dat deze vloer erg gevoelig is voor trillingen. Hierdoor kunnen bepaalde kwetsbare voorwerpen, zoals bijvoorbeeld de collectie historisch glas, niet op de bovenste verdieping worden bewaard . De glazen voorwerpen staan nu dan ook in speciale kasten op de begane grond. Op de bovenste verdieping bevind zich nog wel de verzameling porselein en aardewerk .  De stellingkasten waarin deze  voorwerpen bewaard worden staan echter wel achter gesloten hekken. Dit om te voorkomen dat mensen te veel langs deze kasten lopen en daarmee onnodige trillen veroorzaken of per ongeluk voorwerpen van de planken stoten.

Op de begane grond worden verder de collectie meubels en de verzameling schilderijen bewaard. De beheerders van het depot hadden eerst getracht de schilderijen op periode te sorteren. Dennis maakte ons echter duidelijk dat al snel bleek dat die opstelling niet praktisch was. De schilderijen werden tijdens de verbouwing van het Rijksmuseum veel in bruikleen gegeven aan andere musea. Het gevolg was dat de schilderijen al snel werden gesorteerd op volgorde van binnenkomst en uitleen. Hierdoor word onnodig gesjor aan de schilderijen voorkomen en staan de schilderijen die het meest reizen op de makkelijkst te bereiken plaatsen.

De conclusie die ik trok uit de rondleiding was dat een depot altijd zo praktisch mogelijk moet worden ingericht. Hierbij altijd oog houdende op de veiligheid van de voorwerpen.  Als niet alle ruimtes een even goede klimaatcontrole hebben dan deel je  de collectie zo in dat de meest kwetsbare voorwerpen het best beschermt zijn. Zware en grote voorwerpen staan over het algemeen op de begane grond. Zeer kwetsbare voorwerpen komen achter slot en grendel te staan zodat men alleen toegang heeft als dat echt nodig is en er geen schade word veroorzaakt door ondoordacht handelen. Voorwerpen die veel worden tentoongesteld of vaak in bruikleen worden gegeven staan op de best bereikbare plaatsen.

Telefoonfoto's 755

Onze avondjapon zoals hij in het depot in de kast hangt.

Altijd praktisch blijven en onnodig gesjor en handelen voorkomen bleek ook de boodschap te zijn van de praktische opdracht in de middag. We werden in groepjes verdeelt en elk groepje kreeg een voorwerp toegewezen dat op transport zou gaan naar België.  Onze opdracht: verpak/maak deze voorwerpen klaar voor transport. Het voorwerp van mijn groepje was een lange blauwe avondjapon van rips rayon. Met het groepje maakte we op papier een plan van aanpak. We besloten de jurk op te bergen in een zuurvrije doos van 60 bij 90 cm, beschermt en opgevuld met zuurvrij vloeipapier. De japon moesten we vanwege de grote van de doos wel vouwen. Om kreuken zoveel mogelijk te voorkomen deden we dat ter hoogte van de overgang van het lijfje naar de rok.

Na het maken van het plan van aanpak, moest het worden beoordeeld door de rest van de groep. Omdat ons plan was gebaseerd op de ervaringen van groepslid Hanna, die op haar werkplek al meer ervaring had met het opbergen van historische kledingstukken, kwam ons plan behoorlijk professioneel over. We kregen dan ook relatief weinig commentaar van de andere studenten.  Onze docent Jaap ter Burg bevestigde dat ons plan inderdaad een keurig was. Als we de japon moesten opbergen in een depot dat kampte met ruimte gebrek en waar geen plek was om de jurk op te hangen. Voor transport was het de onjuiste aanpak.

Rips rayon is namelijk een stof die erg gevoelig is voor kreuken. De jurk vouwen was dus eigenlijk geen optie. Een doos die lang genoeg was om de jurk zonder vouwen in te leggen zou erg onhandig zijn tijdens het vervoer. De jurk hing al op een goed, gekussende en met stof beklede, hanger. De beste en minst ingrijpende optie voor vervoer zou in dit geval dus een goede kledingzak zijn geweest. Op die manier kan je jurk hangend vervoerd worden. De japon word daardoor niet onnodig gevouwen of gekreukt en blijft ook handzaam voor transport.

Ook de andere groepen kregen het advies om vooral praktisch te blijven. Een groep moest een harnas vervoeren dat in onderdelen was. Zij hadden een plan gemaakt waarin allen onderdelen in een op twee grote kratten werden vervoerd. Jaap  legde uit dat het vaak makkelijker was om zo’n voorwerp in meerdere kleine kratten te vervoeren. De kleine kratten kunnen namelijk per stuk een stuk makkelijker  vervoerd worden, of b.v. een trap opgedragen worden, dan één groot krat.

Een andere groep moest een plan van aanpak maken voor het vervoer van een schilderij dat Jaap liefkozend ‘Het miniatuurtje’ noemde. Dit schilderij was grofweg 2 bij 4 meter groot. Dit schilderij kon niet rechtop worden vervoerd, omdat vrachtwagens met 4 meter hoge vervoercabines erg zeldzaam en duur zijn. Jaap van Burg gaf ons allemaal nog veel meer adviezen en punten om over te denken, maar de kern bleef: “Blijf praktisch, maak het niet onnodig ingewikkeld, houd rekening met wat mogelijk is tijdens het transport en houd ook rekening met de locatie waar het voorwerp naar toe gaat”.