9 December 2014. Fotografie.

9 December bezochten we met de opleiding het Fotografie Museum Amsterdam (FOAM) en de fototentoonstelling “Modern Times” in het Rijksmuseum. In de ochtend kregen een lezing van Dapne Nieuwenhuijse. Zij taxeerd voor Apresa foto’s om hun geld en verzekeringswaarde. Wat maakt een foto kostbaar? De meeste foto’s zijn goed te reproduceren in de vorm van (nieuwe) afdrukken en zelfs posters. Voor modern werk geld dat een fotograaf een gelimiteerde oplage van de foto laat drukken (genummerd en vaak met certificaat). Daarnaast worden er een aantal Artists Proofs gemaakt, deze houd de kunstenaar in principe zelf. Voor een tentoonstelling kan het voorkomen dat er van modern werk een speciale afdruk wordt gemaakt die na de tentoonstelling wordt vernietigd om zo de oplage beperkt te houden. Voor ouder werk geld dat een vintage foto (een eigentijdse afdruk) meer waard is dan een latere afdruk of reproductie. En natuurlijk brengen grote namen meer geld op. Fotografische kunstwerken brengen op de huidige kunstmarkt soms wel miljoenen op.

Modern Times

Modern Times
In de middag bezochten we de voorstelling “Modern Times” in het Rijksmuseum. In deze tentoonstelling zijn foto’s te zien die zijn gemaakt vanaf de late 19de eeuw en door de hele 20ste eeuw door. Zeldzame foto’s van wereldberoemde fotografen zoals Jacques-Henri Lartigue, Lewis Hine, László Moholy-Nagy, Man Ray, Brassaï, W. Eugene Smith, Ed van der Elsken en William Klein waren op deze tentoonstelling te zien.

Opdracht fotografie
Als opdracht hadden we voor deze dag om zowel bij FOAM als bij het Rijksmuseum de afdruktechnieken in kaart te brengen en om te kijken of de verschillende foto’s op een specifieke manier werden geexposeerd. Ook moesten we kijken of de wijze van exposeren werd beinvloed door beheer en behoudseisen eigen aan de afdruktechnieken. De opdracht is hier als PDF te downloaden.Fotografie

Links en Literatuur:
British Library. Preservation Advisory Centre. Photografic Material
Elf grote bedreigingen van fotocollecties
Johan M. Swinnen, De kunst van het fotoarchief, 170 jaar fotografie en erfgoed. (2009)

Advertisements

25 November 2014. Multimediaopdracht.

Op 25 November gingen we zelf aan de slag met de multi-media opdracht. Wat wordt er echter bedoelt me multi-media? Volgens Wikipedia wordt de term multi-media op verschillende manieren gebruikt:

  1. Voor computertoepassingen waarin verschillende media worden gebruikt. In deze context zijn media geluid (bijvoorbeeld muziek in een mp3– of MIDI-bestandsformaat), stilstaand (bijvoorbeeld foto‘s) en bewegend (bijvoorbeeld animaties of video) beeld, andere informatie (bijvoorbeeld tekst), alsook invoermedia als toetsenbord, aanraakscherm, joystick, MIDI-klavier enz.
  2. Om het verschil tussen drukwerk (papier is de beelddrager) en computergestuurde uitingen (computerscherm is de beelddrager) weer te geven. Multimedia staat in die betekenis voor een (doorgaans interactieve) uiting op bijvoorbeeld een cd-rom, een dvd of een website.
  3. In de context van kunst en ontwerp staat multimedia voor een benaderingswijze die zich buiten de traditionele categorieën begeeft. De term wordt meestal gebruikt in relatie met nieuwe media-ontwerpen en kunstdisciplines. Deze hebben immers per definitie een grensoverschrijdend karakter. De diverse producten die daaruit voortkomen noemt men mediakunst.
  4. De term multimedia wordt ook vaak gebruikt als verzamelnaam voor visuele en auditieve opslag, weergave en transmissie van informatie, zoals foto, film, bandopname, televisie, internet, e.d.

Multi-media in de kunstvorm hebben we bij het Noordelijk Scheepvaartmuseum niet in onze vaste collectie. Natuurlijk hebben we wel de prachtige digitale reconstructie “Groningen in 1470” maar het behoud en beheer van deze film ligt in de handen van de producenten “los Digitalos”. Daarom behandel ik in deze opdracht de term multimedia als verzamelnaam voor auditieve en visuele opslag. De meeste historische musea hebben wel een aantal geluids- en beelddocumenten in hun archief of collectie. Ook het Noordelijk Scheepvaartmuseum heeft enkele kopieën in het bezit van cassettetapes met interviews afgenomen bij schippers begin jaren negentig. De originele cassettetapes zijn inmiddels overgedragen aan het GAVA (Gronings AudioVisueel Archief). Daarnaast heb ik mij tijdens mijn Master geschiedenis ook beziggehouden met mondelinge geschiedenis en heb ik voor mijn eindscriptie verschillende mosselvissers, actievoerders en biologen geinterviewd.

Still uit de digitale reconstructie "Groningen in 1470".

Still uit de digitale reconstructie “Groningen in 1470”.

In deze opdracht bespreek ik het behoud van geluidstapes(cassettebandjes) en van geluidsdocumenten op DVD. Hierbij komen problemen zoals sticky-shed syndroom bij geluidstape, CDrot en de vergangelijkheid van digitale bestanden aan de orde.

Interview met dhr. Daan de Haan (interviewer onbekend), november 1993. Duur 1 uur en 12 minuten. Op Phillips C-90 cassette.

Op de tape zelf staat alleen de informatie: Interview Daan de Haan, november   1993. Op de tape zelf noemt de interviewer, een man, zijn naam niet. Ook wordt er geen verdere informatie over datum of locatie van het interview gegeven.  Volgens de conservator is het origineel overgedragen aan de Groninger archieven en opgenomen het GAVA, maar bij een zoekactie op de site van het GAVA heb ik dit interview niet terug kunnen vinden. Overigens staat er wel een videointerview met Dhr Daan de Haan op de site van het GAVA.

Dataverlies: De tape in onze collectie staat niet geregistreerd in Adlib. Het geheel is dus erg gevoelig voor informatieverlies. Het is bij interviews handig als in de opname zelf een introductie word opgenomen waarin wordt genoemd wie de deelnemers zijn, wanneer en waar het gesprek is opgenomen en wat het doel/reden van het gesprek is. Deze informatie kan met het beste ook op de behuizing van de tape of ander drager vermelden en ook registreren in adlib of een vergelijkbaar systeem. Het koste ook even moeite om een cassettedeck te vinden om het bandje af te spelen.
Staat fysieke drager: De cassette was toen ik hem vond erg stoffig. Gelukkig bleek het bandje na schoongeblazen te zijn nog in goede staat en was het interview goed af te luisteren. Gevoeligheden cassettebandjes: magnetische tapes (video, audio en digitaal) en daaronder vallen ook cassettebandjes, zijn berucht om het sticky-shed syndroom. Een tape bestaat uit een plastic laag waar doormiddel van een lijmlaag magnetische deeltjes op zijn aangebracht. Bij sticky-shed syndroom is er een lijm gebruikt die hygroscopisch is en die in de loop van de tijd water aantrekt. Het gevolg is dat de magnetische laag van de tape los kan laten. Soms in de vorm van een poeder, soms in de vorm van een plakkerig residu dat ook de leeskoppen van de cassettespeler kan vervuilen.[1] Niet alle merken cassetebandjes en audiotapes hebben last van dit syndroom. Eigenlijk komt dit probleem vooral voor bij de merken Ampex, Scotch/3M en Sony.[2] Phillips gebruikte een andere lijm en er zijn geen cassettebandjes van dit merk bekend die last hebben van het sticky shed probleem. Sticky shed is tijdens het afluisteren te herkennen aan een piepend geluid op de band. Een tape die is aangetast door Sticky Shed Syndroom kan men tijdelijk repareren door hem te bakken. Dit betekend het voorzichtig verwarmen van de tape in een oven om het aangetrokken vocht te verdampen[3]. Dit is geen houdbare restauratie methode, het maakt de tape slechts voor korte duur weer bruikbaar, maar het geeft in ieder geval de mogelijkheid om de inhoud van het geluid te kopiëren naar een nieuw medium. Om onder andere sticky shed syndroom te voorkomen word er geadviseerd om magnetische tapes bij een relatief lage luchtvochtigheid (30-40% RV) te bewaren.[4]
Een ander bekend probleem van audiotape en cassettebandjes is het doorprinten van het geluidssignaal. Onder invloed van warmte en uitwendige magnetische signalen kan het magnetische signaal van de ene kant van een tape kan het signaal aan de andere kant beïnvloeden waardoor de geluidskwaliteit achteruit gaat. Hoe dunner de tape hoe meer kans er is dat doorprinten optreed. [5]Archivisten werd daarom ook aangeraden om de lengte van hun cassettes te beperken. Een cassettebandje waar 2 uur geluid op kan worden opgenomen, een c-120, is namelijk dunner dan een cassettebandje van een uur, een c-60. Daarnaast word er geadviseerd om audio tape bij temperaturen tussen de 8 en 20 graden celcius te bewaren en uit de buurt van elektrische velden veroorzaakt door huishoudelijke apparaten en computers.[6] Op het Phillips cassettebandje waar het interview met Dhr De Haan op staat is gelukkig nog geen storende doorprint te horen. Het interview is goed af te luisteren.

Interview met Norbert Dankers, marinebioloog. Interviewer Jacoline Bodewes. Opgenomen op 12 juli 2011, bij Dhr Dankers thuis, Den Hoorn, Texel. Duur 1.24.21 (een uur, 24 minuten en 21 seconden). MP3 formaat op CD.

Fysieke staat CD: Op de cd staat geprint: “Mosseltransitie, Norbert Dankers-Bioloog” en staat het loge van de Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Letteren, Faculteit rechtsgeleerdheid. Audiovisuele dienst Harmoniecomplex. CD verkeerd in goede staat, geen verkleuringen van de metaallaag, slechts een paar kleine krasjes die de geluidskwaliteit bij het afspelen niet aangetast blijken te hebben. CD wordt in een verzamelcassete met enkele andere CD’s bewaard waarin iedere CD een eigen hoesje heeft.
Dataverlies: Het gehele interview is nog zeer goed af te luisteren, geen data verlies. De informatie op de CD zelf is echter te summier, hierdoor kan de context van dit interview later verloren gaan. Op advies van de docent mondelinge geschiedenis heb ik dit interview echter gestart met het noemen van de datum, de namen van de geïnterviewde en de interviewer, de locatie en het onderwerp van het interview. Het zou nuttig zijn om alle CD’s met intervieuws die ik heb afgenomen voor mijn scriptie bij elkaar te bewaren, met een verwijzing naar de scriptie erbij en eventueel ook een Digitaal exemplaar (op CD of memorystick) van mijn scriptie erbij, zodat het geheel als een samenhangende collectie bewaard kan worden.
Gevoeligheden CD: Hoewel er bij deze CD geen sprake van is, kunnen CD’s gevoelig zijn voor CD-rot. CD-rot is een verzamelnaam voor verschillende vormen van beschadigingen aan CD’s waardoor de opgeslagen data moeilijk uitleesbaar wordt. De klassieke vorm van CD rot wordt veroorzaakt door het degraderen (oxideren) van de datadragende laag van de CD. Een cd bestaat uit verschillende lagen. De datadragende laag bestaat meestal uit aluminium. Aluminium oxideert uit zich zelf erg snel. Om dit te voorkomen is deze laag op een CD afgedekt met een laklaag. De datadragende laag kan aan de randen van CD echter open liggen en de beschermende laklaag kan gemakkelijk beschadigen (makkelijker aan de bovenkan van de CD dan aan de onderkant, in tegenstelling van de gangbare verwachtingen, omdat de laklaag hier het dunst is). Hierdoor komt de metalen datadragende laag bloot te liggen en wordt gevoelig voor oxidatie. Onder invloed van warmte en licht verloopt dit proces nog sneller. Deze klassieke CD-rot is te herkennen aan of de verkleuring van de CD, een koffievlek –achtige verkleuring), of een bronzige kleur van de cd (dit komt voor bij CD waar de datadragende laag van zilver was gemaakt). Als je kleine lichtpuntjes of gaatjes zien als je een CD tegen het licht houd, dan is er ook sprake van CD-rot. CD’s waar de data-dragende laag van goud is gemaakt zijn minder gevoelig van CD-rot of dat goud niet of nauwelijks oxideert. [7] Er kan bij een CD ook data verlies optreden als de CD verbogen wordt, dit kan al gebeuren als een CD uit zijn doosje wordt gehaald.

CD-rot

CD-rot

CD-rot kan ook zichtbaar zijn als lichtpuntjes als je de CD tegen het licht houd.

CD-rot kan ook zichtbaar zijn als lichtpuntjes als je de CD tegen het licht houd.

Om CD-rot te voorkomen en digitale CD wordt er geadviseerd om CD’s in hun jewelcases (standaard CD doosje)te bewaren en dat ze niet liggend maar op hun kant worden bewaard. Plak geen etiketten op CD’s en schrijf informatie het liefst met stift op de doorzichtige binnenring van een CD.Bewaar CD’s ook buiten het licht, onder lage luchtvochtigheid (20% tot 50%), en laat de temperatuur niet te hoog worden, liefst onder de 23 graden celcius en zeker niet hoger dan 32 graden.[8]

Houdbaarheid digitaal format, MP3 (Mpeg): Voor bijna alle audiobestanden, maar zeker digitale bestanden, bestaat naast het probleem van de houdbaarheid van de fysieke drager, het probleem van de houdbaarheid van het bestand zelf. Niet alleen het bestand moet bewaard worden, maar ook de manier van het terugluisteren van het bestand. Het bleek al moeilijk om een cassettedeck te vinden waarop we het cassettebandje konden afpelen. Bij digitale bestanden bestaan er voor het afluisteren van de bestanden speciale programma’s. Die programma’s zijn op hun beurt geschreven voor bepaalde computers. Als of de drager, of het soort bestand, of het afluister programma, of de computer waarvoor de programma’s voor zijn geschreven , in ongebruik raken dan loop je een groot risico kan je je bestand niet meer kan afluisteren. Er zijn twee mogelijke strategieën om dit probleem tegen te gaan, migratie en emulatie. Met migratie bedoelt men het omzetten van een veroudert formaat, naar het nieuwe gangbare format. Een voorbeeld is het geluid op een cassetebandje digitaal opnemen en opslaan als een Mp3. Met digitale bestanden moet men dit proces om de zoveel jaar herhalen om actueel te blijven. Zeker als men een grote hoeveelheid bestanden moet bewaren dan kan dit een zeer omslachtig werk zijn. Emulatie is een ander strategie om digitale bestanden leesbaar te houden. Emulatie kan het best beschreven worden als het nabootsen van een computerprogramma of platvorm op een ander computerplatvorm of programma. Een moderne computer bootst als het waren een ouderwetse computer na, waardoor de moderne computer ook de ouderwetse programma’s kan openen. Emulatie geeft digitale bestanden op die mannier een langer duurzaamheid. Een goede combinatie van zowel migratie als emulatie is op dit moment de beste manier om digitale informatie te bewaren.[9]

[1]https://en.wikipedia.org/wiki/Sticky-shed_syndrome 25-2-2015

[2] http://www.tapeheads.net/showthread.php?t=2597 25-2-2015

[3] http://audio-rescue.com/sticky/ 25-2-2015

[4] http://loc.gov/preservation/care/record.html 25-2-2015

[5] http://www.aes.org/aeshc/docs/3mtape/printthrough.pdf 26-5-2015

[6] http://loc.gov/preservation/care/record.html

[7] http://www.cci-icc.gc.ca/resources-ressources/ccinotesicc/19-1-eng.aspx 26-5-2015

[8] Idem.

[9] http://www.kb.nl/organisatie/onderzoek-expertise/onderzoek-digitalisering-en-digitale-duurzaamheid/publicaties-van-en-over-kb-onderzoek 26-2-2015.

7 oktober. Leer en Excursie Lederfabriek Gebr. van Esch B.V.

Op 7 oktober hadden we een excursie naar de Lederfabriek van de Gebr. van Loon B.V. We konden al duidelijk merken dat de dagen korter worden en het weer kouder. Bij de Lederfabriek werden we enthousiast ontvangen door de medewerkers. Bij de rondleiding werd duidelijk dat de medewerkers en eigenaren trots zijn op hun bedrijf en hun werk uitvoeren met liefde voor het vak.

Bij de Gebr. van Loon B.V. wordt het halffabriekaat ‘Wet Blue” leer afgewerkt tot een eindproduct. Ofwel ze produceren leder en suede met vele verschillende manieren van afwerken.

In de middag gingen we langs bij Cartouche Fashion B.V. in Drunen. Daar kregen we te zien wat er zoal gemaakt kan worden met leer.  Cartouche Fashion maakt voornamelijk riemen en lederen accesoires. De eigenaar was wat chagerijnig omdat we laat waren. Hij leek ook wat minder liefde voor het vak te hebben dan zijn collegae bij de Gebr. van Loon. Maar de ontwerper van het bedrijf had duidelijk hart voor zijn werk. Hij liet ons verschillende soorten leer (o.a. leer van zalmhuid) zien.

Van huid tot leer

het jeugdprogramma ‘Het klokhuis’ heeft een leuk en duidelijk filmpje gemaakt over dit proces.

Kenmerken van huiden en leer:

Afhankelijk van het type dier worden verschillende delen van de huid onderscheiden. Bij de meeste zoogdieren word de huid onderverdeeld in de nek, het achtereind en de flanken.

De nek, of schouder van het vel is vaak gerimpeld en heeft een ongelijke dikte. Van dit stuk huid valt moeilijk glad leer te maken.

Het achtereind of de croupon van het vel komt overeen met de achterzijde en rug van het dier, De huid is hier van gelijke dikte met een uniforme lederhuid. Van dit deel van de huid wordt de hoogste kwaliteit  afgewerkt leer gemaakt.

De flanken van het vel komen overeen met de buik van het dier. De huid is hier dunner en heeft een ongelijke structuur.

Littekens in de huid van het dier veroorzaakt door brandmerken, parasieten en insectenbeten maken de huid zwakker en kunnen gaten veroorzaken tijdens het stropen van de vel of tijdens het looiingsproces.

Gevoeligheden van leer:

Leer en vocht: Leer kan een bepaalde hoeveelheid water opnemen. Het kan echter niet goed tegen zweet, vanwege de zouten en microben. Uitgedroogd leer word hard en bros. Wisselend teveel en te weinig vocht, zorgt voor veel rek en krimp in het leer  wat scheurtjes kan veroorzaken. Bij leer dat langere tijd in water heeft gelegen, zoals bv. archeologische vondsten van onder het grondwater niveau, kan het mogelijk zijn dat de tannines of andere looiingsmiddelen zijn weggespoeld. Dit leer kan daardoor erg gevoelig zijn voor verrotting zodra het in aanraking komt met zuurstof. De vochthuishouding in leer kan men reguleren door het in te vetten. Maar als men te weinig vet gebruikt dan droogt het leer uit en word hard en stuk en breek snel. Als er echter teveel vet word gebruikt kan de nerf verstopt raken. Hierdoor raakt de vochthuishouding in het leer verstoord. Het leer kan dan hard worden. Ook kan er craquelure in het leer ontstaan als de vetlaag. uitdroogd.
Voorbeeld in het NSM: leren randen van de Toejas.

Leer en brand: Leer is in essentie brandwerend. De mate waarin hangt af van de looiing en de afwerking van het leer.

Leer en mechanische krachten: Bepaalde soorten leer hebben een hoge weerstand tegen uitrekken, scheuren, buigen, schuren en doorboren. Desondanks kunnen er door intensief gebruik toch scheurtjes, barsten en craquelure ontstaan. Ook kan de nerf van het leer breken.  Het leer kan een dof en stoffig uiterlijk krijgen. Als leer bewerkt is met een folie of een lak dan zal de folie eerder schade door gebruik en slijtage tonen. Schellak op het leer is bijvoorbeeld niet flexibel en kan breken of krassen. (Voorbeeld van mechanische schade aan leer)
Voorbeeld in het NSM: Fotocamera Zeiss Ikon in leren etui.

Rode rot in leer

Rode rot in leer

Leer en chemische schade: Een veel voorkomend probleem met leer uit de 19de en de vroege 20ste eeuw is rode rot. Rode rot is geen daadwerkelijk rottingsproces maar een chemisch afbraak proces veroorzaakt door een chemisch looiproces dat niet gestopt is. Door chemische schade kan leer ook verpoederen of kan de nerf loslaten.  Wanneer leer met zuren of bases in contact komt kan dit voor verkleuringen zorgen. Een te hoge RV en temperatuur kan chemische aantasting sneller laten verlopen. Ook stofdeeltjes in de lucht kunnen chemisch heel reactief zijn en daardoor schade aan leer veroorzaken. In het Noordelijk Scheepvaartmuseum ben ik geen voorbeelden van rode rot tegen gekomen. De meeste leren voorwerpen in onze collectie werden zeer intesief gebruikt. Voorwerpen die gevoelig waren voor Rode rot zouden dit gebruik niet overleeft hebben om uiteindelijk in ons museum terecht te komen.

Leer en biologische aantasting: Leer is door het looiingsproces zeer goed bestand tegen schimmels, leer zal in principe eerder rotten dan schimmelen.  Desondanks kan een combinatie van vetten gebruikt voor de afwerking of preservatie van leer en ophopingen van stof ook een vruchtbare bodem zijn voor schimmel op leer. Bont en schapenhuiden met wol zijn zeer gevoelig voor motten en andere keratine etende insecten. Boorders zoals bv houtworm kunnen ook dwars door het leer heen knagen.
Voorbeeld in het NSM: Leren bestekkoker.

Leer en lichtschade:  licht kan een chemisch proces opstarten in leer dat fotolyse heet. Het leer kan daardoor verbleken.
Voorbeeld in het NSM: Tabaksbuidel van marrokijnleer.

Schade voorkomen

Schade door een verkeerde luchtvochtigheid en verschillende vormen van chemische aantasting zijn de grootste bedreiging voor leer. Opslag in een goed geklimatiseerde en donkere ruimte met een luchtzuiveringsinstalatie vertraagd bestaand verval en voorkomt nieuw verval.

Literatuur:

Meer informatie is te vinden in het artikel  van Vicki Dirksen, “The degradation and Conservation of leather”, in The Journal of Conservation and Museum Studies (no. 3. November 1997)

30 september. Textiel

30 september kon ik vanwege een verplichte bijeenkomst op werk helaas niet aanwezig zijn bij de les. Ik heb daardoor een spectaculaire les gemist. Onze collega Hanna Hakvoort had met veel zorg een grote collectie materialen en voorwerpen uitgezocht om het onderwerp voor ons mooi zichtbaar te maken. Ik vind het erg jammer dat ik dit gemist heb.

Voor het schrijven van mijn stalenboek (de eindopdracht van deze module) heb ik echter het een en ander aan informatie bij elkaar verzameld. Dus bij deze presenteer ik mijn hoofdstuk Textiel.

Textiel

Textiel is eigenlijk geen materiaal, maar een composiet dat is opgebouwd uit vezels van plantaardige, dierlijke, natuurlijke of synthetische oorsprong. De processen die de grondstof heeft ondergaan om tot textiel te worden zijn dan ook van grote invloed op de eigenschappen van het uiteindelijke textiel. Echter ook de oorspronkelijke grondstof/vezel brengt zijn eigen eigenschappen mee.

Textielvezels:                                                       

Elk textiel bestaat uit vezels. De twee hoofdgroepen van vezels zijn natuurlijke vezels  en synthetische vezels.

De natuurlijke vezels zijn weer op te delen in drie categorieën:

Plantaardige vezels, deze bestaan uit cellulose. Katoen, vlas, hennep en kapok.
Dierlijke vezels, deze bestaan uit keratine. Wol, zijde.
Minerale vezels, bijvoorbeeld asbest, glas en basalt.

Voorbeeld van dierlijke vezels in het NSM: Wollen sokken van een duiker.
Voorbeeld van natuurlijke vezels in het NSM: Allemansend gemaakt van manillatouw.

Wol

Wol

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

De synthetische vezels zijn op te delen in twee categorieën:

Half-synthetische vezels,  dit zijn bewerkte plantaardige, minerale of dierlijke materialen. Viscose/rayon wordt bestaat bv uit cellulose met chemische toevoegingen, acetaat is een ester van azijnzuur en rubber ondergaat een chemisch proces dat vulkaniseren wordt genoemd.
Synthetische vezels, vol synthetische vezels worden geproduceerd doormiddel van een chemisch proces en een chemisch recept. Voorbeelden: polyester, polyamide, acryl.

De productie van garen:

De meeste natuurvezels zijn relatief kort. Om van deze korte vezels garen te maken worden de vezels samengedraaid door ze te spinnen. Zijde en de meeste synthetische vezels zijn lange doorlopende vezels. Om van deze vezels garen te maken worden ze gewikkeld. Denk daarbij aan het afwikkelen van een zijdecocon. Synthetische vezels worden gemaakt doormiddel van een extrusie.
Aan het einde van het spin of wikkelproces heeft met een enkel filament. Is sommige gevallen kan dit worden gebruikt als enkeldraads garen. Men kan diverse filamenten ook met elkaar twijnen. De filamenten worden dan om elkaar heen gedraaid. Het resultaat is kabelgaren.
Als een op meer draden om een kern van garen worden gewonden spreekt men van omwoelen. Op deze manier wordt gouddraad en pluche gemaakt.

Weven.

Van de garen kan men een textiel weven. Het principe van weven is het gelijkmatig en afwisselend kruisen van de schering (verticale draden) en inslag (horizontale draden). Dit kan volgens verschillende patronen gebeuren die men bindingen noemt. De soort binding bepaald het soort stof. Er zijn drie basisbindingen:

Linnenbinding:  Eenvoudig één op één weefsel van schering en inslag. Geen goede of slechte kant. Met deze binding kunnen ook patronen zoals een schotse ruit worden geweven. Word gebruikt voor zowel fijne en lichte weefsel als voor zwaar zeildoek
Keperbinding:  De inslaggarens gaan twee over de scheringdraden en één onder. Elke rij verloopt ten opzichte van de ander, waardoor de stof een diagonaal effect krijgt, zoals bij denim. Voor en achterzijde verschillen.
Satijnbinding: De inslag gaat over meerdere scheringdraden heen en één scheringdraad onder. Stoffen met een satijnbinding hebben een glanzende en een matte zijde.

Voorbeeld van een keperbinding in het NSM: Trekzeel.
Voorbeeld van een linnenbinding in het NSM: Vlag NPRC.

Linnenbinding

Linnenbinding

Keperbinding

Keperbinding

Satijnbinding

Satijnbinding

Breien.

Gebreide stoffen bestaan zijn rekbaar, flexibel en comfortabel. Ze bestaan uit lussen van draad die doormiddel van steken samengevoegd worden. Er zijn 2 hoofdsoorten van breisels:

Inslagbreisels: De steken zijn gemaakt van één doorlopend garen. De stof kan twee kanten op rekken. Een breuk in het garen kan het hele stuk textiel doen ontrafelen.
Kettingbreisels: Een breisel dat bestaat uit meerdere garens. Kettingbreisels zijn minder rekbaar dan inslagbreisels, ze lopen minder snel uit en zijn sterker.

Voorbeeld van een inslagbreisel in het NSM: Wollen sokken van een duiker.

Inslagbreisel

Inslagbreisel

Kettingbreisel

Kettingbreisel

Gemengdlijnige stoffen en niet geweven stoffen

Denk bij gemengdlijnige stoffen aan het knopen van netten en het klossen van kant. De inslaggarens worden rond een kettingaren geknoopt of gewonden zodat er dat er een zeskantige steek ontstaat.  Als men aan dit proces een derde draad toevoegt kan men patronen gaan vormen zoals bij kant.

Niet geweven stoffen worden gevormd door het samenklitten van natuurlijke of synthetische vezels.   De bekendste niet geweven stof is vilt.

Gevoeligheden van textiel.

Een goed overzicht van de meest voorkomende schadefactoren bij textiel en wat men kan doen ter preventie van deze schade, kan men vinden in de ADVICE SHEET Caring for textile collections in museums van de Museums Galleries Scotland.

Textiel en straling:  De meeste soorten textiel zijn uitermate gevoelig voor schade door licht/straling. Lichtschade maakt de textielvezels minder flexibel en broos, waardoor het textiel snel breekt of scheurt. Licht kan ook leiden tot de verkleuring van textiel. Om schade te voorkomen moet textiel zoveel mogelijk buiten direct daglicht gehouden worden.  Houd de lichtintensiteit indien mogelijk onder de 50 Lux.

Textiel en water: Textiel, natuurlijk textiel in het bijzonder, trekt water aan. Afhankelijk van de soort vezels en de luchtvochtigheid kunnen vezels zwellen en krimpen. Oud textiel kan deze stress minder goed hebben waardoor het op ten duur uit elkaar valt. Veel textiel is geverfd of  met stijfsel of andere toevoegingen bewerkt. Water kan deze pigmenten en middelen wegwassen of in beweging krijgen. Hierdoor ontstaan verkleuringen en kringen. Als het water vuil, zeep of zure chemicaliën bevat en deze in het textiel achterblijven als het water verdampt, kan dit vlekken, verkleuringen, broze plekken en zelfs gaten veroorzaken. Om waterschade te voorkomen mag textiel niet gewassen worden.  Bewaar het textiel in ruimtes met een stabiele luchtvochtigheid tussen de 45% en 65% RV. Houd textiel uit de buurt van vochtige muren en ramen (vanwege condensatievocht).

Textiel en Schimmel: Op vochtig textiel dat in een te warme omgeving bewaard word kan schimmel groeien. Schimmels kunnen natuurlijk textiel verteren en kunnen op alle soorten textiel voor lelijke vlekken zorgen. Voorkom schimmel door het textiel te bewaren bij een RV onder de 65% en een temperatuur van onder de 18 graden celcius.

Textiel en ongedierte: Met name textiel gemaakt van dierlijke vezels is gevoelig door schade door vraat door motten en tapijtkevertjes. Deze insecten vreten gaten in het textiel of grazen het af. Ze laten frass en poppen achter. Voorkom schade door insecten door het textiel regelmatig te controleren. Zet ook lokvallen uit voor insecten. Vind men aangetast textiel en/of levende insecten? Isoleer dan het stuk textiel (dek het geïnfecteerde voorwerp goed af voor dat je het verplaatst, anders verspreid je de insecten door de ruimte). Bevriezing van het voorwerp dood de insecten. Zorg er ook voor dat de ruimte waar het textiel bewaard word goed afgesloten is zodat insecten niet van buiten naar binnen kunnen komen.

Textiel en chemische schade: Oorzaken: 1. het textiel is behandelt met een pigment of ander middel dat initieel gebruikt is om het textiel te verbeteren, maar wat in de loop der jaren door een chemische reactie de stof aantast. Dit kan het textiel doen verkleuren en/of broos maken. 2. Onderdelen van een schadelijk materiaal. Een ijzerhoudende knoop kan gaan roesten, wat voor vlekken en gaten in het textiel kan zorgen. 3. Textiel word bewaard in zuurhoudende materialen. De zuren maken het textiel broos en kunnen een geelbruine verkleuring veroorzaken. Bewaar textiel indien mogelijk in het donker  en onder een stabiele RV (45% tot 65%) om chemische schade te voorkomen. Licht en vocht kunnen bepaalde chemische reacties versnellen. Gebruik voor de verpakking zuurvrij papier en karton. Verpak schadelijke onderdelen indienmogelijk apart om met een buffer van zuurvrij papier er om heen.  Als men gebruikt maakt van ongebleekt katoen voor de verpakking zorg er dan voor dat dit door de kookwas is gegaan om schadelijke zeepresten en dergelijke te verwijderen.

Textiel en vervuiling (stof): Stof dat op textiel terechtkomt kan zich uiteindelijk tussen de vezels settelen. Het zorgt voor verkleuring en vervorming. Door wrijving kan het stof de vezels van het textiel aantasten. Stof kan ook een bron van voedsel zijn voor insecten en zelfs schimmels. Beperk schade door stof door textiel te verpakken in luchtdoorlatende maar afsluitbare dozen of omslagen. Was textiel niet IVM waterschade, maar reinig het met een stofzuiger op een lage stand (stofzuiger mond afgedekt met bv een panty om te voorkomen dat men losse onderdelen opzuigt).

Textiel en fysische schade (sluitage, breuk, onzorgvuldig handelen): De meeste schade aan textiel word veroorzaakt door onzorgvuldig handelen. Textiel dat al verzwakt is door chemische- of stralingsschade zal op deze momenten snel scheuren en breken. Draag en verplaats textiel daarom niet zonder ondersteuning en handel zorgvuldig. Meer over de juiste manier van het omgaan met textiel kan men vinden in de Illustrated Guide to the care of costume and textile collections van de Scottisch Museums Council.

 

16 september. Papier. De Middelste Molen en Coda

Voor onze les over papier maakten we op 16 september een dubbele excursie de papierfabriek “De Middelste Molen” en naar het Coda (Cultuur onder Dak Apeldoorn). De papiermolen in Loenen is de enige werkende papierfabriek die nog op waterkracht kan worden aangedreven. Bij een latere modernisering werd er ook een stoommachine geïnstalleerd. Tot 1960 werd “de Middelste Molen”nog gebruikt voor de commerciële productie van papier. Tegenwoordig heeft de molen een museale functie en produceren vrijwilligers verschillende soorten papier.

Papiermolen "De Middelste Molen" in Loenen

Papiermolen “De Middelste Molen” in Loenen

Papier bestaat uit de fijngestampte of gesneden vezels van grondstoffen zoals hout, lompen, riet of oud papier. Deze vezels worden vermengt met water tot een soort dunne soep. Bij een ‘goede soep’ zijn de vezels zo kort dat men ze niet meer met de hand kan grijpen. Met een raamwerk met een bodem van fijn gaas van textiel of koperdraad word vanonder uit de papierkuip het papier geschept. De papierschepper schud de vorm om de vezels gelijkmatig de verdelen. Het laagje natte papier word afgekoetst op een laag vilt. Verschillende lagen vilt en papier worden gestapeld en vervolgens word in een pers het restwater uit het papier geperst. De vellen papier worden van het vilt afgenomen en opgehangen om ze te drogen. Het papier werd vaak nabehandeld met een bad van beenderlijm opgelost in water met aluin. Door deze afwerklaag word het papier goed beschrijfbaar.

In het onderstaande filmpje wordt het proces van papiermaken in het kort uitgelegt.

Bij machinaal papier word de papierpulp niet geschept maar op een lopende band van zeefdoek gespoten. Het restwater word uit het papier geperst met een pers waarvan de rollen met vilt zijn bekleed. Het drogen gebeurt met behulp van verhitte cilinders. Om het papier gladder te maken kan het daarna tussen twee walsen ‘gekalanderd’ worden. Machinaal papier heeft een looprichting.

Door de beweging van de lopende band van de zeef gaan de vezels in één richting lopen. Wanneer de vezels in de lengte van een vel lopen spreken we van langlopend papier, liggen de vezels in de richting van de korte kant van het papier dan spreekt men van breedlopend papier.

 

Middags bezoeken we het CODA in Apeldoorn. Het CODA is een bibliotheek, archief en museum onder een dak. Dit is het museum waar onze collega Tamar werkt. Zij leidde ons dan ook rond door het museum, de bibliotheek en de depots. Omdat het Coda dus naast een museum ook een bibliotheek en archief zijn, hebben ze een ruime collectie papier en papieren voorwerpen. Tamar laat ons wat papieren ‘kunstboeken’. Kunstboeken in deze zin zijn boeken, vaak uitgegeven in eigen beheer door schrijvers, dichters of beeldend kunstenaars, waarvan de fysieke vorm vaak net zo belangrijk van is als de inhoud. Ook laat ze ons wat papieren juwelen zien.

Tamar laat enkele kunstboeken zien

Tamar laat enkele kunstboeken zien

Papier analyseren

Papier analyseren

 

 

 

 

 

 

Vervolgens krijgen wij verschillende papieren voorwerpen onder handen (boeken, etsen, architectonische kaarten enz.) om onze analyses te oefen. Kunnen wij het soort en de kwaliteit van het papier herkennen? Welke drukvormen zijn toegepast? Welke schade heeft het papier geleden en hoe is deze schade ontstaan?

Jaap brengt ons nog het een en ander bij over papier ( en hier steun in op de notities van mijn collega Tony Jonges).

– Een kilo papier bevat gemiddeld zo’n 100 gram water (een kubieke meter lucht daarentegen slechts 10 gram)
– Vanaf de 19e eeuw wordt veel papier van hout gemaakt (i.p.v. lompen). Van fijngemalen hout wordt een pap gekookt ; na toevoeging van enkele chemicaliën om de lignine (houtstof) tussen de celwanden op te lossen, ontstaat een brij  die voornamelijk uit cellulose bestaat. Na bleking blijft er een witte pulp over (celstof) waarvan papier kan worden vervaardigd. De celstof wordt doorgaans in balen geperst die later in een papierfabriek worden opgelost om papierbrij te maken.
– Modern papier bestaat zelden alleen uit vezels; om het beter beschrijfbaar te maken worden er wel tot 25% hulpstoffen (zoals krijt of kaolien) aan toegevoegd. Verder krijgt het papier vaak een coating.
– Door de cellulose is papier zurig. In contact met lucht of water worden de vezelketens afgebroken en verdubbelt het aantal ‘kopse kanten’ van de vezels, waar hetjuist het zuur vrijkomt. Temperatuur, zuurstof, vocht en licht (of andere straling) versnellen dit proces van verval.
– ‘Zuurvrij papier’ of alkalisch papier bevat net zo veel zuur als gewoon papier…… Echter door de kalkbuffertjes tussen de vezelstrengen die het zuur absorberen ademt dit papier geen zuur uit en blijven de vezelketens langer intact. Het heeft dus een langere levensduur dan gewoon papier.
– Ook houtvrij papier is een misleidende term: het papier heeft wel degelijk hout als grondstof, maar de celstof is zo behandeld en gebleekt is dat er nog weinig lignine (houtstof) aanwezig is.

9 september. Start Module 3 Organische materialen. Hout.

Op 2 septemeber 2014 starte het tweede jaar van de opleiding collectiebeheer. Ik was er de eerste dag helaas niet bij. Ik was nog op vakantie in Edinburgh. Hierover heb ik in een eerdere blogpost over geschreven.

Vanaf 9 september was ik er weer bij. Het was leuk om iedereen weer te zien. Wel een vreemd  gevoel om aan je tweede jaar te beginnen terwijl het eerste jaar slecht een half jaar geleden begonnen was.

Module 3 van de opleiding gaat over organische materialen. Organische materialen zijn alle materialen die koolstof bevatten. Ze hebben een plantaardige of dierlijke oorsprong.  De meeste organische materialen zijn hygroscopisch, dat wil zeggen dat ze dimensionaal vochtgevoelig zijn. Ze zetten uit en krimpen naarmate de vochtigheid hoger of lager is. Dit is voor collectiebeheerders een belangerijke eigenschap om rekening mee te houden. Het kan namelijk grote gevolgen hebben voor de manier waarop we organische materialen bewaren.

De meeste dierlijke organische materialen zoals bot, haar, spierweefsel en vellen bevatten veel eiwitten. Insecten zoals motten en tapijt- en museum-kevers leven van deze eiwitten.  Een groot deel van de plantaardige materialen, zoals hout en papier (wat van hout gemaakt wordt), bevatten cellulose. Insecten en insectenlarven zoals het zilvervisje, boktor en houtworm gebruiken dit als voedselbron. Kortom: organische materialen zijn extra gevoelig voor schade door pestdieren.

Na de introductie stonden onze eerste twee lessen van dit jaar in het teken van hout.

Hout.

Eigenschappen.

De werking van hout

Hout is een natuurlijk en plantaardig materiaal dat sterk is en licht is van gewicht. In vergelijking met materialen van een vergelijkbare sterkte zoals steen en metaal, is hout ook zacht en makkelijk te bewerken. Hout bestaat er in vele verschillende soorten die elk hun eigen mechanische eigenschappen, dichtheid, duurzaamheid en esthetische kwaliteiten hebben. Hout is ook een hernieuwbare grondstof (zolang er sprake is van verantwoordelijk bosbeheer) en relatief goedkoop. Hout kan hierdoor op vele verschillende manieren worden toegepast. Het is een veelgebruikt materiaal in de bouw, waar het wordt gebruikt voor vloeren, trappen en ook voor dragende constructies. Daarnaast komen we als collectiebeheerder hout natuurlijk veelvuldig tegen in de vorm van meubels, houtsnijwerk en kleine gebruiksvoorwerpen. Hout is gevoelig voor aantasting door schimmels en insecten. Hout neem vocht op maar staat het in een droge omgeving ook weer af. Hierdoor kan hout werken en vervormen (krom of scheluw staan)en zelfs splijten.

Biologie:

Hout is een organisch en natuurlijk composiet materiaal, of in het Engels a cellular polymeric composite. Chemisch gezien bestaat hout voornamelijk uit drie polymeren.

Cellulose (50%) – Komt voor in alle planten en de bron van de vezelstructuur die hout zijn stevigheid geeft. Hemicellulose (25%) – Hemicellulose kant vocht opnemen en opzwellen en is daarmee verantwoordelijk voor de hygroscopische werking van hout. Lignine (25%) – Bindmiddel tussen de vezels van hout en verstijvingsmiddel binnen de vezels. Lignine is een thermoplastische polymeer en is de reden waarom hout door stomen in een oven vervormd kan worden.

Cellen:

Elke soort hout heeft een karakteristieke weefselordening en omvang en vorm van de cellen. De meeste houtcellen langwerpig en zijn in de lengte georiënteerd. Daarom is hout anisotropisch, dat wil zeggen dat de eigenschappen (sterkte, buigzaamheid, splijting) van hout in de lengterichting anders zijn dan in de dwarsrichting.

Naast de lengte cellen heeft elke houtsoort ook een kleinere hoeveelheid straalcellen. Deze cellen stralen van het centrum van de stam uit naar buiten en staan dwars op de lengte cellen. Hout bestaat voor minder dan 10 procent uit straalcellen. De straalcellen zijn echter aanwezig in elke soort en kunnen van grote invloed zijn op de specifieke eigenschappen van het soort hout.

Naast deze vezels kan men ook vaatweefsel tegenkomen (het weefsel waardoor het sap van bladeren naar wortelen wordt getransporteerd) en reservecellen, het zogenaamde houtparenchym.

Onderscheid hardhout en zachthout (loof- en naaldbomen)

Hout word vaak in twee hoofdcategorieën onderverdeelt, hardhout en zachthout. In de regel is hardhout afkomstig van loofbomen en zachthout van naaldbomen.

Naaldbomen zijn groenblijvende bomen die snel groeien(60 tot 80 jaar) . Naaldhout word hoofdzakelijk gebruikt in de bouw en voor draagconstructies. Loofbomen zijn bladverliezende bomen die langzaam groeien(120 tot 200 jaar). Ze worden voornamelijk gebruikt voor het maken van meubelen.

Bomen groeien van binnen naar buiten en krijgen er elk jaar een laag bij. Bij bomen die groeien in klimaten met duidelijke seizoenen is er een duidelijk verschil zicht baar tussen lente- en herfsthout waardoor zij duidelijke jaarringen hebben. Alleen hout dat volwassenheid heeft bereikt, zoals hart- of kernhout is echt geschikt voor verwerking. Spinthout is verzadigt met voedingsstoffen, het is daardoor gevoelig voor parasieten en vergaat snel. Spinthout word over het algemeen niet verwerkt maar bij sommige meubelen zijn niet zichtbare gedeelten (achterkant van een kast) soms wel gemaakt van het goedkopere spinthout. Deze plekken worden daardoor vaker aangetast door bv houtworm.

Doorsnee van een boom.

Doorsnee van een boom.

Zagen:

Niet de gehele boom is bruikbaar voor timmerhout. In de meeste gevallen wordt alleen de stam gebruikt om planken van te zagen. Bij sommige soorten kunnen de stronk en het gevorkte deel van de stam (2de stam, gaffel)echter esthetisch profiel opleveren. Dit hout kan bv gebruikt worden voor fineer werk. De meest economische en daardoor populairste methodes van houtzagen zijn vlakzagen en dosse- of blokzagen. Dit is een tangentiële manier van zagen. In dit soort planken zijn de ‘vlammen’ van het hout goed te zien. De kwaliteit van het op deze manier gezaagde hout is onregelmatig en gevoelig voor krullen, rondbuigen of kromtrekken. Men kan ook op de radiale doorsnede zagen (dwars op de stam ipv langs de stam). Dit kan in de vorm van rift of kwartierzagen gebeuren. Men krijgt dan een sterker en meer uniform hout dat minder gevoelig is voor vervorming door krimp.

Dosse en kwartier zagen

Dosse en kwartier zagen

Krimp of werking van hout:

Hout kan vocht aantrekken en daardoor opzwellen. Als de omgeving droger wordt verdampt het vocht ook weer uit het hout. Hout werkt of ‘krimpt’ daardoor voortdurend. Omdat hout in de lengterichting van de nerf anders reageert dan op de dwarsrichting kunnen planken afhankelijk van de manier waarop ze gezaagd zijn en van eventuele gebreken in hout krullen, rondbuigen, scheluwtrekken of scheuren. Soms kan er ook abnormale krimp of zwelling plaatsvinden. Vooral reactiehout, hout dat is gevormd om langdurige druk- of trekkrachten te weerstaan, kan afwijkend gedrag vertonen bij het krimpen en zwellen.

De werking van hout

9 September Edinburgh en Hout.

Edinburgh

foto's telefoon 560

Begin september had ik mijn “grote” vakantie van dit jaar. Tien dagen Edinburg, ik vertrok op de 5de en kwam maandag de 15de terug. Edinburgh was fantastisch. Een prachtige oude stad met veel sfeer en schitterende musea. Bijna alle musea in Edinburgh hebben gratis entree, dus vier van mijn 10 dagen vakantie heb ik doorgebracht in The National Poirtrait Gallery, The Scottisch National Gallery en The National Museum of Scotland (twee bezoeken).Tijdens deze bezoeken heb ik geprobeert met een nieuwe blik naar deze musea te kijken. Wat kon ik leren? Hoe kijk ik als toekomstig collectiebeheerder tegen de inrichting van een museum aan?

In the Scottisch National Gallery zag ik dat er wat bekende truks werden toegepast wat betreft behoud en beheer. Zoals tafels onder schilderijen om te voorkomen dat bezoekers te dichtbij komen en touwen gespannen over stoelen waar niet in gezeten mag worden. In elk museum was de entree goed afgescheiden van de collectie zelf, waardoor de voorwerpen minder last hadden van schommelingen in het klimaat. Wat echter ook opviel is dat meer geld interessante dingen doet voor behoud en beheer in musea. Zo kwam ik veel meer klimaatkasten tegen in The National Portrait Gallery dan ik in veel Nederlandse musea zie, maar werd er ook gebruik gemaakt van behoudsmaatregelen die met meer bescheiden middelen toegepast kunnen worden. Als er meer geld beschikbaar is betekend dat dus niet dat alle behoudsmaatregelen veel moeten kosten. Vitrines met lichtgevoelige prenten werden bijvoorbeeld afgedekt met leren lappen die bezoekers zelf konden optillen. Dit voorkomt dat de voorwerpen bloot worden gesteld aan teveel UV-straling. Deze maatregel is echter simpel zelf uit te voeren en hoeft niet teveel te kosten.

The Scottisch National Gallery. Een tafel onder een schilderij voorkomt dat bezoekers er te dicht langs lopen. Zo wordt schade door b.v. rondzwaaiende tassen voorkomen.

The Scottisch National Gallery.
Een tafel onder een schilderij voorkomt dat bezoekers er te dicht langs lopen. Zo wordt schade door b.v. rondzwaaiende tassen voorkomen.

The National Portrait Gallery. Een leren flap over een vitrine met lichtgevoelige voorwerpen, beperkt de blootstelling aan licht op een simpele manier.

The National Portrait Gallery.
Een leren flap over een vitrine met lichtgevoelige voorwerpen, beperkt de blootstelling aan licht op een simpele manier.

Wat mij ook opviel is wat een goede inrichting van een museum doet voor de bezoekers. The National Portrait Gallery is in 2011 verbouwd. De nieuwe inrichting is zeer klassiek, maar met veel aandacht voor belichting en looprichting. Er werd bijna geen gebruik gemaakt van multimedia. Dit zorgde voor een prettige en rustige museumervaring. Het was de inhoud van de tentoonstellingen, die goed was afgestemd op de publieke belangstelling zonder expliciet populair te worden, die het publiek trok. Het contrast met The National Museum of Scotland was groot. Ook dit museum is recentelijk verbouwd en heeft een nieuwe vleugel gekregen. Het resultaat is een museum dat uit twee apparte musea lijkt te bestaan. De ene helft van het museum behandelt biologie, antropologie en wetenschap, de andere helft gaat over de geschiedenis van Schotland. Vandaar de twee bezoeken op verschillende dagen.

The Scottisch National Museum Heeft een prachtige centrale hal van gietijzer en glas, met wat random Schotse voorwerpen. Zoals een lens van een vuurtoren, ontworpen door de beroemde familie Stevenson.

The Scottisch National Museum Heeft een prachtige centrale hal van gietijzer en glas, met wat random Schotse voorwerpen. Zoals een lens van een vuurtoren, ontworpen door de beroemde familie Stevenson.

De populair-wetenschappelijke kant van het museum is gevestigd in het victoriaanse gedeelte van het gebouw. De constructie van dit deel van het pand bestaat uit veel gietijzer en glas. In dit deel van het museum word veel gebruik gemaakt van multimedia. De inrichting heeft een warrige opstelling die zeer abrupt van het ene onderwerp naar het andere onderwerp over lijkt te gaan. Blijkbaar is de opstelling in verdiepingen opgebouwd en niet gekoppeld aan de looprichting van de bezoeker. De informatie wordt in zeer kleine brokken aan het publiek aangeboden , waarbij het voor mij niet altijd duidelijk was wat de plek van die informatie in een groter raamwerk was. Het museum lijkt inderdaad wat meer jeugd aan te trekken, maar zelfs als er weining bezoekers waren geweest dan had het de indruk gegeven alsof het ontzettend druk was. Dus of er inderdaad meer bezoekers waren dan in de andere musea kan ik afgaande op mijn eigen indrukken niet zeggen.  Het geluid van de multimedia, de warrige opzet van de tentoonstelling en de hapsnap benadering van informatieoverdracht maakte mij als bezoeker vooral snel moe. Ik kreeg een overvloed aan indrukken, maar het boeide uiteindelijk maar weinig. Dit gevoel van drukte leek overigens ook een zekere baldadigheid bij sommige bezoekers te weeg te brengen. Er werd overigens niets opzettelijk beschadigd.

Het historische gedeelte van het museum leed, zij het  in mindere mate, aan het zelfde euvel. Er was meer aandacht besteed aan thema’s binnen de collectie zelf, religie, industrie, de clans enz, maar de looprichting was ook hier onduidelijk. Hierdoor was het mogelijk om zonder waarschuwing van de tentoonstelling over de convenanters in een tentoonstelling over industrie te belanden, zonder dat je het direct doorhad. Wat ook opviel in deze vleugel was het feit dat de begane grond veel meer doordacht was ingericht dan de volgende verdiepingen. Het leek dat bij elke verdieping hoger de vitrines voller werden. In deze nieuwe vleugel kwam het gebruik van natuursteen in het gebouw zelf bijna overweldigend over.

In conclusie; een tentoonstelling met een goed gekozen (lokaal) thema trekt net zo goed bezoekers als de toepassing van multimedia. Gratis entree maakt een museumbezoek daadwerkelijk veel laagdrempeliger. Prop je museum niet al te vol en weet welk verhaal je met voorwerpen wilt vertellen en bedenk goed welke invloed multimedia op het gedrag van je bezoek kan hebben voordat je het instaleerd. Er zijn natuurlijk nog veel meer interssante conclusie te trekken, maar ik heb vandaag niet de tijd om daar allemaal op in te gaan. Edinburgh zal ongetwijfelt later nog wel een keer als voorbeeld langskomen.

Op het HMC

In Amsterdam moesten al mijn medestudenten natuurlijk wel naar school. Ik dacht dat ik medelijden met ze zou hebben. Maar zij hadden die dag een praktische les in het fineren van hout! Als ik de foto’s bekijk heb ik wel wat gemist. Nou ja, die middag zat ik in het Whiskyrestaurant Amber te genieten van een lamsstoofpot, met een goed glas Bowmore Darkest Whisky erbij.

foto's telefoon 500

De resultaten van de noeste arbeid van mijn collega-studenten.

 

Uitleg over fineer door onze docenten

Uitleg over fineer door onze docenten