30 september. Textiel

30 september kon ik vanwege een verplichte bijeenkomst op werk helaas niet aanwezig zijn bij de les. Ik heb daardoor een spectaculaire les gemist. Onze collega Hanna Hakvoort had met veel zorg een grote collectie materialen en voorwerpen uitgezocht om het onderwerp voor ons mooi zichtbaar te maken. Ik vind het erg jammer dat ik dit gemist heb.

Voor het schrijven van mijn stalenboek (de eindopdracht van deze module) heb ik echter het een en ander aan informatie bij elkaar verzameld. Dus bij deze presenteer ik mijn hoofdstuk Textiel.

Textiel

Textiel is eigenlijk geen materiaal, maar een composiet dat is opgebouwd uit vezels van plantaardige, dierlijke, natuurlijke of synthetische oorsprong. De processen die de grondstof heeft ondergaan om tot textiel te worden zijn dan ook van grote invloed op de eigenschappen van het uiteindelijke textiel. Echter ook de oorspronkelijke grondstof/vezel brengt zijn eigen eigenschappen mee.

Textielvezels:                                                       

Elk textiel bestaat uit vezels. De twee hoofdgroepen van vezels zijn natuurlijke vezels  en synthetische vezels.

De natuurlijke vezels zijn weer op te delen in drie categorieën:

Plantaardige vezels, deze bestaan uit cellulose. Katoen, vlas, hennep en kapok.
Dierlijke vezels, deze bestaan uit keratine. Wol, zijde.
Minerale vezels, bijvoorbeeld asbest, glas en basalt.

Voorbeeld van dierlijke vezels in het NSM: Wollen sokken van een duiker.
Voorbeeld van natuurlijke vezels in het NSM: Allemansend gemaakt van manillatouw.

Wol

Wol

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

Vlasvezels waar men linnen van maakt.

De synthetische vezels zijn op te delen in twee categorieën:

Half-synthetische vezels,  dit zijn bewerkte plantaardige, minerale of dierlijke materialen. Viscose/rayon wordt bestaat bv uit cellulose met chemische toevoegingen, acetaat is een ester van azijnzuur en rubber ondergaat een chemisch proces dat vulkaniseren wordt genoemd.
Synthetische vezels, vol synthetische vezels worden geproduceerd doormiddel van een chemisch proces en een chemisch recept. Voorbeelden: polyester, polyamide, acryl.

De productie van garen:

De meeste natuurvezels zijn relatief kort. Om van deze korte vezels garen te maken worden de vezels samengedraaid door ze te spinnen. Zijde en de meeste synthetische vezels zijn lange doorlopende vezels. Om van deze vezels garen te maken worden ze gewikkeld. Denk daarbij aan het afwikkelen van een zijdecocon. Synthetische vezels worden gemaakt doormiddel van een extrusie.
Aan het einde van het spin of wikkelproces heeft met een enkel filament. Is sommige gevallen kan dit worden gebruikt als enkeldraads garen. Men kan diverse filamenten ook met elkaar twijnen. De filamenten worden dan om elkaar heen gedraaid. Het resultaat is kabelgaren.
Als een op meer draden om een kern van garen worden gewonden spreekt men van omwoelen. Op deze manier wordt gouddraad en pluche gemaakt.

Weven.

Van de garen kan men een textiel weven. Het principe van weven is het gelijkmatig en afwisselend kruisen van de schering (verticale draden) en inslag (horizontale draden). Dit kan volgens verschillende patronen gebeuren die men bindingen noemt. De soort binding bepaald het soort stof. Er zijn drie basisbindingen:

Linnenbinding:  Eenvoudig één op één weefsel van schering en inslag. Geen goede of slechte kant. Met deze binding kunnen ook patronen zoals een schotse ruit worden geweven. Word gebruikt voor zowel fijne en lichte weefsel als voor zwaar zeildoek
Keperbinding:  De inslaggarens gaan twee over de scheringdraden en één onder. Elke rij verloopt ten opzichte van de ander, waardoor de stof een diagonaal effect krijgt, zoals bij denim. Voor en achterzijde verschillen.
Satijnbinding: De inslag gaat over meerdere scheringdraden heen en één scheringdraad onder. Stoffen met een satijnbinding hebben een glanzende en een matte zijde.

Voorbeeld van een keperbinding in het NSM: Trekzeel.
Voorbeeld van een linnenbinding in het NSM: Vlag NPRC.

Linnenbinding

Linnenbinding

Keperbinding

Keperbinding

Satijnbinding

Satijnbinding

Breien.

Gebreide stoffen bestaan zijn rekbaar, flexibel en comfortabel. Ze bestaan uit lussen van draad die doormiddel van steken samengevoegd worden. Er zijn 2 hoofdsoorten van breisels:

Inslagbreisels: De steken zijn gemaakt van één doorlopend garen. De stof kan twee kanten op rekken. Een breuk in het garen kan het hele stuk textiel doen ontrafelen.
Kettingbreisels: Een breisel dat bestaat uit meerdere garens. Kettingbreisels zijn minder rekbaar dan inslagbreisels, ze lopen minder snel uit en zijn sterker.

Voorbeeld van een inslagbreisel in het NSM: Wollen sokken van een duiker.

Inslagbreisel

Inslagbreisel

Kettingbreisel

Kettingbreisel

Gemengdlijnige stoffen en niet geweven stoffen

Denk bij gemengdlijnige stoffen aan het knopen van netten en het klossen van kant. De inslaggarens worden rond een kettingaren geknoopt of gewonden zodat er dat er een zeskantige steek ontstaat.  Als men aan dit proces een derde draad toevoegt kan men patronen gaan vormen zoals bij kant.

Niet geweven stoffen worden gevormd door het samenklitten van natuurlijke of synthetische vezels.   De bekendste niet geweven stof is vilt.

Gevoeligheden van textiel.

Een goed overzicht van de meest voorkomende schadefactoren bij textiel en wat men kan doen ter preventie van deze schade, kan men vinden in de ADVICE SHEET Caring for textile collections in museums van de Museums Galleries Scotland.

Textiel en straling:  De meeste soorten textiel zijn uitermate gevoelig voor schade door licht/straling. Lichtschade maakt de textielvezels minder flexibel en broos, waardoor het textiel snel breekt of scheurt. Licht kan ook leiden tot de verkleuring van textiel. Om schade te voorkomen moet textiel zoveel mogelijk buiten direct daglicht gehouden worden.  Houd de lichtintensiteit indien mogelijk onder de 50 Lux.

Textiel en water: Textiel, natuurlijk textiel in het bijzonder, trekt water aan. Afhankelijk van de soort vezels en de luchtvochtigheid kunnen vezels zwellen en krimpen. Oud textiel kan deze stress minder goed hebben waardoor het op ten duur uit elkaar valt. Veel textiel is geverfd of  met stijfsel of andere toevoegingen bewerkt. Water kan deze pigmenten en middelen wegwassen of in beweging krijgen. Hierdoor ontstaan verkleuringen en kringen. Als het water vuil, zeep of zure chemicaliën bevat en deze in het textiel achterblijven als het water verdampt, kan dit vlekken, verkleuringen, broze plekken en zelfs gaten veroorzaken. Om waterschade te voorkomen mag textiel niet gewassen worden.  Bewaar het textiel in ruimtes met een stabiele luchtvochtigheid tussen de 45% en 65% RV. Houd textiel uit de buurt van vochtige muren en ramen (vanwege condensatievocht).

Textiel en Schimmel: Op vochtig textiel dat in een te warme omgeving bewaard word kan schimmel groeien. Schimmels kunnen natuurlijk textiel verteren en kunnen op alle soorten textiel voor lelijke vlekken zorgen. Voorkom schimmel door het textiel te bewaren bij een RV onder de 65% en een temperatuur van onder de 18 graden celcius.

Textiel en ongedierte: Met name textiel gemaakt van dierlijke vezels is gevoelig door schade door vraat door motten en tapijtkevertjes. Deze insecten vreten gaten in het textiel of grazen het af. Ze laten frass en poppen achter. Voorkom schade door insecten door het textiel regelmatig te controleren. Zet ook lokvallen uit voor insecten. Vind men aangetast textiel en/of levende insecten? Isoleer dan het stuk textiel (dek het geïnfecteerde voorwerp goed af voor dat je het verplaatst, anders verspreid je de insecten door de ruimte). Bevriezing van het voorwerp dood de insecten. Zorg er ook voor dat de ruimte waar het textiel bewaard word goed afgesloten is zodat insecten niet van buiten naar binnen kunnen komen.

Textiel en chemische schade: Oorzaken: 1. het textiel is behandelt met een pigment of ander middel dat initieel gebruikt is om het textiel te verbeteren, maar wat in de loop der jaren door een chemische reactie de stof aantast. Dit kan het textiel doen verkleuren en/of broos maken. 2. Onderdelen van een schadelijk materiaal. Een ijzerhoudende knoop kan gaan roesten, wat voor vlekken en gaten in het textiel kan zorgen. 3. Textiel word bewaard in zuurhoudende materialen. De zuren maken het textiel broos en kunnen een geelbruine verkleuring veroorzaken. Bewaar textiel indien mogelijk in het donker  en onder een stabiele RV (45% tot 65%) om chemische schade te voorkomen. Licht en vocht kunnen bepaalde chemische reacties versnellen. Gebruik voor de verpakking zuurvrij papier en karton. Verpak schadelijke onderdelen indienmogelijk apart om met een buffer van zuurvrij papier er om heen.  Als men gebruikt maakt van ongebleekt katoen voor de verpakking zorg er dan voor dat dit door de kookwas is gegaan om schadelijke zeepresten en dergelijke te verwijderen.

Textiel en vervuiling (stof): Stof dat op textiel terechtkomt kan zich uiteindelijk tussen de vezels settelen. Het zorgt voor verkleuring en vervorming. Door wrijving kan het stof de vezels van het textiel aantasten. Stof kan ook een bron van voedsel zijn voor insecten en zelfs schimmels. Beperk schade door stof door textiel te verpakken in luchtdoorlatende maar afsluitbare dozen of omslagen. Was textiel niet IVM waterschade, maar reinig het met een stofzuiger op een lage stand (stofzuiger mond afgedekt met bv een panty om te voorkomen dat men losse onderdelen opzuigt).

Textiel en fysische schade (sluitage, breuk, onzorgvuldig handelen): De meeste schade aan textiel word veroorzaakt door onzorgvuldig handelen. Textiel dat al verzwakt is door chemische- of stralingsschade zal op deze momenten snel scheuren en breken. Draag en verplaats textiel daarom niet zonder ondersteuning en handel zorgvuldig. Meer over de juiste manier van het omgaan met textiel kan men vinden in de Illustrated Guide to the care of costume and textile collections van de Scottisch Museums Council.

 

Advertisements

Het Grote Voorbeeld? Het depot van het Rijksmuseum.

Na veel andere opleidingen in Nederland en België te hebben bekeken, afstanden en kosten te hebben afgewogen heb ik mij dan toch ingeschreven voor de opleiding Collectie beheer aan het Hout en Meubileringscollege in Amsterdam. Hoewel ik de eerste paar lessen had gemist mocht ik gelukkig nog instromen. Ik viel gelijk met mijn neus in de boter. Op mijn eerste lesdag mocht ik mee op excursie naar het depot van het Rijksmuseum in Lelystad! Omdat het Rijksmuseum HET museum van Nederland is, zou het depot ook wel het best ingerichte en mooist gevulde depot van Nederland zijn dacht ik. Met veel enthousiasme begon ik aan de excursie.

Metalen voorwerpen worden allemaal verpakt in zuur- en weekmakersvrij plastic. Dit om oxidatie te voorkomen. De voorwerpen kunnen op deze manier ook zonder handschoenen aangeraakt worden.

In 2000 besloot het Kabinet dat het Rijksmuseum toe was aan een intensieve opknapbeurt. Om de collectie tijdens deze grootscheepse verbouwing een onderdak te bieden moest het museum opzoek naar een geschikte ruimte voor een tijdelijk depot.  Deze ruimte werd gevonden in de “Eurokluis” van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Albert Einsteinweg in Lelystad. In dit gebouw lagen tussen 1999 en 2002 miljarden aan euromunten opgeslagen. In 2003 was de overgang naar de Euro grotendeels volbracht en had de KNM een stuk minder ruimte nodig. Van de nieuw vrijgekomen loods kon het Rijksmuseum nu gebruik maken.  In september 2003 werd een tijdelijk depot opgestart.

Dat het Rijksmuseum het gebouw nu nog steeds deelt met de Koninklijke Nederlandse Munt was goed te merken bij onze aankomst. De bewaking is streng. We mochten bijvoorbeeld geen foto’s maken waarop mogelijk details van de beveiliging op staan en voordat we onze bezoekerspas kregen moest we eerst ons identificatiebewijs laten zien (tot grote schrik van de deelnemers die hun id niet mee hadden). Daarna moesten we wachten tot we werden opgehaald. Gelukkig kwam Dennis Kemper, collectiebeheerder voor het Rijksmuseum, ons snel ophalen.

Voor onze rondleiding kregen we van Dennis een uitleg over hoe het depot is ontstaan en hoe het bouwkundig in elkaar zit. In 2003 begon het Rijksmuseum met één loods in het gebouw. In de originele toestand kon deze loods echter niet voldoen aan de klimaateisen van een museumdepot. Daarom werd in deze loods als het ware een tweede loods gebouwd met daarin een goede klimaatbeheersing en een ‘hangende’ vloer om een tweede verdieping te creëren.  Een paar jaar later heeft het museum ook een tweede loods in gebruik genomen. Deze loods is echter minder goed geïsoleerd. Dat de opbouw en inrichting van de loodsen gevolgen heeft voor de manier waarop de collectie is opgeslagen merkten we al snel tijdens onze rondleiding.

Omdat de ‘nieuwe’ loods minder goed geïsoleerd is, worden hier voorwerpen bewaart die minder gevoelig zijn voor klimaatschommelingen of die van minder grote museale waarde zijn. Tijdens onze rondleiding zagen wij veel voorwerpen die waren opgeslagen in transportkisten. Daarnaast viel de verzameling van museummeubilair dat door Pierre Cuypers voor het museum was ontworpen op (voornamelijk meubelstukken die later naar zijn ontwerpen zijn nagebouwd).  Een gedeelte van de voorwerpen was afgedekt met stofhoezen. Dennis vertelde dat dit niet alleen ter bescherming was tegen stof, maar ook tegen de jaarlijkse portie uitgedroogde vliegen. Deze komen als de temperaturen buiten dalen de loods binnen.

Telefoonfoto's 752

De aardewerk en porseleincollectie staat achter een gesloten hekwerk.

In de ‘nieuwe’ loods zorgt de hangende vloer van de bovenverdieping voor een aantal uitdagingen. Dennis legde uit dat deze vloer erg gevoelig is voor trillingen. Hierdoor kunnen bepaalde kwetsbare voorwerpen, zoals bijvoorbeeld de collectie historisch glas, niet op de bovenste verdieping worden bewaard . De glazen voorwerpen staan nu dan ook in speciale kasten op de begane grond. Op de bovenste verdieping bevind zich nog wel de verzameling porselein en aardewerk .  De stellingkasten waarin deze  voorwerpen bewaard worden staan echter wel achter gesloten hekken. Dit om te voorkomen dat mensen te veel langs deze kasten lopen en daarmee onnodige trillen veroorzaken of per ongeluk voorwerpen van de planken stoten.

Op de begane grond worden verder de collectie meubels en de verzameling schilderijen bewaard. De beheerders van het depot hadden eerst getracht de schilderijen op periode te sorteren. Dennis maakte ons echter duidelijk dat al snel bleek dat die opstelling niet praktisch was. De schilderijen werden tijdens de verbouwing van het Rijksmuseum veel in bruikleen gegeven aan andere musea. Het gevolg was dat de schilderijen al snel werden gesorteerd op volgorde van binnenkomst en uitleen. Hierdoor word onnodig gesjor aan de schilderijen voorkomen en staan de schilderijen die het meest reizen op de makkelijkst te bereiken plaatsen.

De conclusie die ik trok uit de rondleiding was dat een depot altijd zo praktisch mogelijk moet worden ingericht. Hierbij altijd oog houdende op de veiligheid van de voorwerpen.  Als niet alle ruimtes een even goede klimaatcontrole hebben dan deel je  de collectie zo in dat de meest kwetsbare voorwerpen het best beschermt zijn. Zware en grote voorwerpen staan over het algemeen op de begane grond. Zeer kwetsbare voorwerpen komen achter slot en grendel te staan zodat men alleen toegang heeft als dat echt nodig is en er geen schade word veroorzaakt door ondoordacht handelen. Voorwerpen die veel worden tentoongesteld of vaak in bruikleen worden gegeven staan op de best bereikbare plaatsen.

Telefoonfoto's 755

Onze avondjapon zoals hij in het depot in de kast hangt.

Altijd praktisch blijven en onnodig gesjor en handelen voorkomen bleek ook de boodschap te zijn van de praktische opdracht in de middag. We werden in groepjes verdeelt en elk groepje kreeg een voorwerp toegewezen dat op transport zou gaan naar België.  Onze opdracht: verpak/maak deze voorwerpen klaar voor transport. Het voorwerp van mijn groepje was een lange blauwe avondjapon van rips rayon. Met het groepje maakte we op papier een plan van aanpak. We besloten de jurk op te bergen in een zuurvrije doos van 60 bij 90 cm, beschermt en opgevuld met zuurvrij vloeipapier. De japon moesten we vanwege de grote van de doos wel vouwen. Om kreuken zoveel mogelijk te voorkomen deden we dat ter hoogte van de overgang van het lijfje naar de rok.

Na het maken van het plan van aanpak, moest het worden beoordeeld door de rest van de groep. Omdat ons plan was gebaseerd op de ervaringen van groepslid Hanna, die op haar werkplek al meer ervaring had met het opbergen van historische kledingstukken, kwam ons plan behoorlijk professioneel over. We kregen dan ook relatief weinig commentaar van de andere studenten.  Onze docent Jaap ter Burg bevestigde dat ons plan inderdaad een keurig was. Als we de japon moesten opbergen in een depot dat kampte met ruimte gebrek en waar geen plek was om de jurk op te hangen. Voor transport was het de onjuiste aanpak.

Rips rayon is namelijk een stof die erg gevoelig is voor kreuken. De jurk vouwen was dus eigenlijk geen optie. Een doos die lang genoeg was om de jurk zonder vouwen in te leggen zou erg onhandig zijn tijdens het vervoer. De jurk hing al op een goed, gekussende en met stof beklede, hanger. De beste en minst ingrijpende optie voor vervoer zou in dit geval dus een goede kledingzak zijn geweest. Op die manier kan je jurk hangend vervoerd worden. De japon word daardoor niet onnodig gevouwen of gekreukt en blijft ook handzaam voor transport.

Ook de andere groepen kregen het advies om vooral praktisch te blijven. Een groep moest een harnas vervoeren dat in onderdelen was. Zij hadden een plan gemaakt waarin allen onderdelen in een op twee grote kratten werden vervoerd. Jaap  legde uit dat het vaak makkelijker was om zo’n voorwerp in meerdere kleine kratten te vervoeren. De kleine kratten kunnen namelijk per stuk een stuk makkelijker  vervoerd worden, of b.v. een trap opgedragen worden, dan één groot krat.

Een andere groep moest een plan van aanpak maken voor het vervoer van een schilderij dat Jaap liefkozend ‘Het miniatuurtje’ noemde. Dit schilderij was grofweg 2 bij 4 meter groot. Dit schilderij kon niet rechtop worden vervoerd, omdat vrachtwagens met 4 meter hoge vervoercabines erg zeldzaam en duur zijn. Jaap van Burg gaf ons allemaal nog veel meer adviezen en punten om over te denken, maar de kern bleef: “Blijf praktisch, maak het niet onnodig ingewikkeld, houd rekening met wat mogelijk is tijdens het transport en houd ook rekening met de locatie waar het voorwerp naar toe gaat”.